maandag 31 mei 2010

Morele paniek

Vorige week is in Italië een boekje verschenen van de socioloog Massimo Introvigne: Preti pedofili. La vergogna, il dolore e la verità sull'attacco a Benedetto XVI (Pedofiele priesters. De schaamte, de pijn en de waarheid over de aanval op Benedictus XVI). Het is een bewerking van diverse artikelen die Introvigne de afgelopen maanden heeft geschreven over de sexueel-misbruik-affaire, en bevat als aanhangsel de relevante Vaticaanse documenten en wetgeving. Negentig pagina's die de moeite waard zijn (hopelijk wordt het ook tenminste in het Engels vertaald).
Een van de interessante thema's die hij aansnijdt is dat van de zgn. "morele paniek". Hier een citaat van Introvigne (niet uit het boek, maar uit een artikel over dezelfde kwestie op de website van het sociologisch onderzoeksinstituut waar hij directeur van is):
Why is there talk again of pedophile priests, based on old cases in Germany and the U.S., which drags in people who are close to the Pope and now even the Pope himself? Does sociology have something to say about this or should we leave it completely to the journalists? I believe sociology has much to say, and it must not remain silent because of a fear of displeasing some.
The current discourse on pedophile priests – considered from a sociological perspective – represents a typical example of “moral panic”. The concept was coined in the 1970s to explain how certain problems become the subject of a “social hyper-construction”. More precisely, moral panics are defined as socially constructed problems that are characterized by a systematic amplification of (true) facts in the media or in political discourse.
Two other characteristics have been cited as typical of moral panics. First, problems that have existed for decades are reconstructed in the media and political accounts as new, or as the subject of a recent dramatic increase. Second, their incidence is exaggerated by folk statistics plucked from the air which, while not confirmed by academic studies, are repeated by the media and inspire persistent media campaigns. Historian and sociologist Philip Jenkins, of Pennsylvania State University, has emphasized the role of “moral entrepreneurs” in the creation and management of panics whose agenda is not always revealed. Moral panics may be entertaining for the media, but do not bring any good. They distort the perception of the problems and compromise the efficacy of the measures which should resolve them. After a harmful analysis inevitably there comes a harmful intervention.
Let there be no misunderstanding: at the origin of moral panics are objective and real dangers. Moral panics do not invent a problem; they exaggerate its statistical dimensions. In a series of excellent studies, Jenkins demonstrated how the issue of pedophile priests is perhaps the most typical moral panic today. Two characteristic elements exist: a real fact which serves as a starting point, and an exaggeration of this fact by moral entrepreneurs.

zondag 30 mei 2010

Redenen om CDA te stemmen

Uit een artikel van Sander Smit op Catholica.
Ik zal de laatste zijn om te ontkennen, dat binnen het CDA grote verschillen van opvatting leven met betrekking tot ethische thema’s, maar het CDA blijft wel de partij, die als enige grote partij als parlementaire machtsfactor garant staat voor gewetensvrijheid, gewetensbezwaren, voor de vrijheid van vereniging, de vrijheid van eredienst, vrijheid van godsdienst. Het is niet voor niets, dat de social engineers in onze samenleving en politiek zo’n afkeer van het CDA koesteren. [...]
Wie zal het meest de vrijheid van onderwijs verdedigen, naast SGP en CU? Juist, het CDA. Dat dit openlijk verklaart bij monde van haar huidige Kamerleden. Wie ligt het meest voor de hand bij regeringsdeelname? Juist, het CDA. Een zwak CDA zal een derde en militantere periode Paars, de droom voor social engineers en vijanden van een vrij (m.n. christelijk) geweten, inluiden. Bij alle (toegegeven) onvolkomenheid die het CDA eigen is, en die ook andere partijen eigen is (zij het op andere punten), is alleen een groot CDA een garantie voor stabiel en menselijk rentmeesterschap in komende vier jaar.
Een sterk CDA en een stem voor het CDA doet niets af aan de natuurlijke alliantie in morele kwesties met de gerespecteerde (en elders verguisde) partijen SGP en CU. Verder zou ik het toejuichen, als overtuigde katholieken, uit alle standen van onze maatschappij (wij zijn allen leden van hetzelfde orgaan, niet alleen de zgn. academici), eindelijk hun ivoren Untergang-des-Abendlandes-toren verlaten en in ’s lands politiek participeren in plaats van eindeloos als toeschouwer te fungeren. Stoïcisme is geen deugd. [...]
En als ik dan hoor, dat zelfs overtuigde katholieken bij hun politieke keuze durven te zeggen, dat ze “toch maar” op de SP of PvdA gestemd hebben (partijen die bijzonder onderwijs willen afschaffen!), want “ik zit ook krap bij kas en ben werkloos”, dan is er nog veel werk aan de winkel. Zowel qua sociale mobilisatie in de christen-democratische zuil, als bij de geestelijkheid die in Nederland passiviteit in de hand werkt en niets doet aan vorming van verantwoord politiek burgerschap. Een zogenaamde geestelijkheid die door eigen theologische vrijzinnigheid en radicaliteit veelal zelfs tegen de eigen religieuze vrijheden ageert.
Het CDA blijft ondanks alles onze eigen PVV: een (wellicht sterk geschonden) parlementaire burchtwal tegen finale bestorming van de burcht (d.i. gezinnen, scholen, kerkgebouwen, politieke verenigingen) door seculiere Jihadisten!
Voor een christen is het belangrijkste kiescriterium: door het stemmen op welke partij wordt het meest de libertas Ecclesiae, de vrijheid van de Kerk, veilig gesteld?

Uw bloghouder is het met Smit eens en denkt dat een stem op het CDA het meest in deze richting gaat.

Zie ook Meer samenleving, minder staat.

zaterdag 29 mei 2010

In persona Christi Capitis: munus regendi

Afgelopen woensdag de laatste van de drie overwegingen van de paus over de drie munera van de priester (onderrichten, heiligen, leiden).
Uw bloghouder was er ditmaal zelf bij, vandaar de schaarste aan berichten de afgelopen dagen.
The Year for Priests is coming to an end; that is why in the last catecheses I began to speak about the essential tasks of the priest, namely: to teach, to sanctify and to govern. I have already given two catecheses, one on the ministry of sanctification, above all the sacraments, and one on teaching. Hence, it remains for me today to speak about the mission of the priest to govern, to guide - with the authority of Christ, not his own - the portion of the people that God has entrusted to him.
In contemporary culture, how can such a dimension be understood, involving as it does the concept of authority and with its origin in the Lord's own mandate to feed his flock? What is authority really for us Christians? The cultural, political and historical experiences of the recent past, above all the dictatorships in Eastern and Western Europe in the 20th century, made contemporary man suspicious in addressing this concept. A suspicion that, not rarely, is expressed in upholding as necessary an abandonment of all authority that does not come exclusively from men and is subject to them, controlled by them. But precisely a glance at the regimes that in the past century sowed terror and death, reminds us forcefully that authority, in every realm, if it is exercised without reference to the Transcendent, if it does away with the supreme Authority, which is God, ends inevitably by turning against man.
Hence, it is important to recognize that human authority is never an end, but always and only a means and that, necessarily and in every age, the end is always the person, created by God with his own intangible dignity and called to relationship with the Creator himself, in the earthly journey of existence and in eternal life. It is an authority exercised in responsibility before God, before the Creator. An authority thus understood, which has as its only objective to serve the true good of persons and to lucidity to the only Supreme Good that is God, not only is not foreign to men but, on the contrary, is a precious help in the journey toward full realization in Christ, toward salvation.
The Church is called and is committed to exercise this type of authority that is service, and she exercises it not in her own name, but in the name of Jesus Christ, who received from the Father all power in heaven and on earth (cf. Matthew 28:18). In fact, Christ feeds his flock through the pastors of the Church: It is he who guides it, protects it, corrects it, because he loves it profoundly.
But the Lord Jesus, Supreme Shepherd of our souls, willed that the Apostolic College, today the bishops in communion with the Successor of Peter, and priests, their most valuable collaborators, should participate in his mission to take care of the People of God, to be educators in the faith, guiding, animating and sustaining the Christian community or, as the Council says, seeing to it that the "faithful are led individually in the Holy Spirit to a development of their own vocation according to the Gospel, to a sincere and practical charity, and to that freedom with which Christ has made us free" (Presbyterorum Ordinis, 6).
Hence, every pastor is the means through which Christ himself loves men: It is through our ministry - dear priests - it is through us that the Lord gathers souls, instructs them, protects them, and guides them. In his commentary to the Gospel of St. John, St. Augustine says: "may it be, therefore, a commitment of love to feed the flock of the Lord" (123,5); this is the supreme norm of conduct for the ministers of God, an unconditional love, such as that of the Good Shepherd, full of joy, open to all, attentive to neighbors and solicitous toward those far away (cf. St. Augustine, Discourse 340, 1; Discourse 46, 15), gentle with the weakest, the little ones, the simple, the sinners, to manifest the infinite mercy of God with the reassuring words of hope (cf. Id. Letter 95, 1).
If such a pastoral task is founded on the sacrament, nevertheless its efficacy is not independent of the personal existence of the presbyter. To be a pastor according to the heart of God (cf. Jeremiah 3:15) there must be a profound rootedness in living friendship with Christ, not only of the intelligence, but also of liberty and of the will, a clear awareness of the identity received in priestly ordination, an unconditional willingness to guide the entrusted flock where the Lord wishes and not in the direction that, apparently, seems more suitable and easy. That requires, first of all, the continuous and progressive willingness to let Christ himself govern the priestly existence of the presbyters. In fact, no one is really capable of feeding Christ's flock if he does not live a profound and real obedience to Christ and to the Church, and the docility itself of the people to their priests depends on the docility of priests to Christ; because of this, at the base of pastoral ministry is always the personal and constant encounter with the Lord, profound knowledge of him, conforming one's will to the will of Christ.
In the last decades, the adjective "pastoral" has often been used almost in opposition to the concept of "hierarchical", exactly as the idea "communion" has also been interpreted in the very same opposition. This is perhaps the point where a brief observation might be useful on the word "hierarchy," which is the traditional designation of the structure of sacramental authority in the Church, ordered according to the three levels of the sacrament of holy orders: episcopate, presbyterate, diaconate. Prevailing in public opinion, for this reality of "hierarchy," is the element of subordination and the juridical element; because of this for many the idea of hierarchy appears in contrast to the flexibility and the vitality of the pastoral sense and even contrary to the humility of the Gospel. But this is a badly understood sense of hierarchy, caused also historically by abuses of authority and careerism, which are in fact abuses and do not stem from the very being of the reality of "hierarchy."
The common opinion is that "hierarchy" is always something linked to domination and thus does not correspond to the true sense of the Church, of unity in the love of Christ. But, as I have said, this is a mistaken interpretation, which has its origin in abuses of history, but does not correspond to the true meaning of what the hierarchy is.
Let us begin with the word. Generally, it is said that the meaning of the world hierarchy is "sacred dominion," but the real meaning is not this, it is "sacra origine," that is: This authority does not come from man himself, but has its origin in the sacred, in the sacrament; hence it subjects the person to the vocation, to the mystery of Christ; it makes of the individual a servant of Christ and only insofar as he is a servant of Christ can he govern, guide for Christ and with Christ. Because of this, whoever enters in the sacred order of the sacrament, the "hierarchy," is not an autocrat, but enters in a new bond of obedience to Christ: he is tied to him in communion with the other members of the sacred order, of the priesthood. And even the Pope - point of reference for all the other pastors and for the communion of the Church - cannot do what he wants; on the contrary, the Pope is custodian of the obedience to Christ, to his word taken up again in the "regula fidei," in the Creed of the Church, and must proceed in obedience to Christ and to his Church. Hence, hierarchy implies a triple bond: first of all, the one with Christ and the order given by the Lord to his Church; then the bond with the other pastors in the one communion of the Church; and, finally, the bond with the faithful entrusted to the individual, in the order of the Church.
Hence, it is understood that communion and hierarchy are not contrary to one another, but condition each other. Together they are only one thing (hierarchical communion). Hence, the pastor is pastor precisely when guiding and protecting the flock and at times impeding its dispersal. Outside a clearly and explicitly supernatural vision, the task of governing proper to priests is not comprehensible. But, sustained by true love for the salvation of each member of the faithful, it is particularly precious and necessary also in our time. If the goal is to take the proclamation of Christ and lead men to the salvific encounter with him so that they will have life, the task of guiding is configured as a service lived in total donation for the upbuilding of the flock in truth and in sanctity, often going against the current and remembering that the one who is the greatest must be made the smallest, and one who governs, must be as one who serves (cf. Lumen Gentium, 27).
Where can a priest today get the strength for such exercise of his ministry, in full fidelity to Christ and to the Church, with a total dedication to the flock? There is only one answer: in Christ the Lord. Jesus' way of governing is not that of domination, but it is the humble and loving service of the washing of the feet, and Christ's kingship over the universe is not an earthly triumph, but finds its culmination on the wood of the cross, which becomes judgment for the world and point of reference for the exercise of authority that is the true expression of pastoral charity. The saints, and among them St. John Mary Vianney, exercised with love and dedication the task of caring for the portion of the People of God entrusted to them, showing also that they were strong and determined men, with the sole objective of promoting the true good of souls, able to pay in person, to the point of martyrdom, to remain faithful to the truth and to the justice of the Gospel.
Dear priests, "tend the flock of God in your midst, (overseeing) not by constraint but willingly, [...] be examples to the flock" (1 Peter 5:2). Hence, do not be afraid to lead to Christ each of the brothers that he has entrusted to you, certain that every word and every attitude, if stemming from obedience to the will of God, will bear fruit; know how to live appreciating the merits and acknowledging the limits of the culture in which we find ourselves, with the firm certainty that the proclamation of the Gospel is the greatest service that can be done to man. In fact, there is no greater good in this earthly life, than to lead men to God, reawaken faith, raise man from inertia and despair, to give the hope that God is near and guides personal history and that of the world.
This, in sum, is the profound and ultimate meaning of the task of governing that the Lord has entrusted to us. It is about forming Christ in believers, through that process of sanctification that is conversion of criteria, of the scale of values, of attitudes, to let Christ live in every faithful. St. Paul thus summarizes his pastoral action: "My children, for whom I am again in labor until Christ be formed in you!" (Galatians 4:19).
Dear brothers and sisters, I would like to invite you to pray for me, the Successor of Peter who has a specific task in governing the Church of Christ, as well as for all your bishops and priests. Pray that we will be able to take care of all the sheep of the flock entrusted to us, also those who are lost.
Zie ook Munus docendi en Munus sanctificandi.

woensdag 26 mei 2010

SGP stemmen?

Artikel van de anglicaanse priester Jos Strengholt op Catholica.
We moeten ook niet op de overheid vertrouwen om die samenleving met haar moraal te ‘maken’, want dat leidt slechts tot een proliferatie van wetten en betutteling. Dat is niet de rol van de overheid; die hoort zich heel terughoudend op te stellen, en vooral te zorgen dat de samenleving zichzelf goed reguleert. Dus hoort de overheid bijvoorbeeld in het geweer te komen als de vrijheden binnen de samenleving in het geding zijn – zoals de vrijheid van vereniging en (kerkelijke) vergadering.
Zie ook Meer samenleving, minder staat.

maandag 24 mei 2010

"Rehabilitatie van de ketter Copernicus" :)

In de categorie "humor". Lees het volgende bericht over wat het ANP over Copernicus weet te melden (natuurlijk blind nageschreven door bladen als Trouw).

Kan iemand mij vertellen wie de redacteur geestelijk leven en/of catholica van het Algemeen Nederlands Persbureau is? Voor de lijst "minder betrouwbare journalisten".

Lees voor de werkelijke relatie van de Kerk ten opzichte van de natuurwetenschap Stanley Jaki's The Savior of Science en vooral de compacte en al eerder geciteerde punten 3 t/m 5 van de negende rede van kardinaal Newmans Idea of a University: "As to Physical Science, of course there can be no real collision between it and Catholicism..."

vrijdag 21 mei 2010

De katholiek en "de regels"

Uit een brief van Charles Péguy, een maand voor zijn dood aan het front in de Eerste Wereldoorlog:
Als je meeste vrienden protestanten of joods zijn, zoals bij mij het geval is, dan ontdek je al gauw, dan weet je dat zij zich niet kunnen voorstellen wat een katholiek is. En protestanten zijn nog verder weg, kunnen hem zich nog minder voorstellen dan joden. Ze denken de katholiek te kennen, hem te begrijpen, zich tegen hem af te zetten, hem te bestrijden. In werkelijkheid kènnen ze hem niet alleen niet, begrijpen ze hem niet alleen niet, maar zien ze hem niet, kunnen ze hem zich niet voorstellen. Deze kenmerkende soort gratuïteit die er in de katholiek is. En hier raken we bijvoorbeeld één van de onderscheidende punten, een van de tekenende punten, een van de punten waarop protestanten zich niet kunnen voorstellen wat een katholiek is. Protestanten zijn mensen die zelf hun eigen wegwijzers maken. En ze hebben allemaal hun eigen wegwijzer. En ze maken ze niet alleen, maar ze rechtvaardigen ze voortdurend.
Een katholiek daarentegen (maak ik me duidelijk? alleen katholieken kunnen mij begrijpen), een katholiek is een jongen die op de weg komt en die de wegwijzer die er staat voor iedereen, ook prima vindt voor zichzelf. En wat meer is, hij raadpleegt de wegwijzers die er voor iedereen staan zelfs niet om te weten wat de weg is. Hij kent de weg goed, hij weet de weg, hij ziet hem, hij doet als iedereen, volgt als iedereen. De weg is duidelijk. Hij raadpleegt de wegwijzers om een bepaalde vreugde te ervaren, die een rituele vreugde is van de weg.
Een bepaalde niet uitwisselbare rituele vreugde, onbekend aan wie niet katholiek is, een vreugde van de rite en van de gemeenschap, een vreugde van de parochie.
En die een niet-katholiek zich niet kan voorstellen, zich niet eens kan indenken.
Een bepaalde rituele vreugde die niet aan anderen over te dragen is.
Een vreugde zonder bepaald nut, een gratuïte vreugde, een overbodige vreugde.
De enige vreugde.
Alle andere zijn slechts praktijken.
Dit is de diepe (de enige, de onherroepelijke) incommunicabiliteit tussen de katholiek en alle anderen samen (behalve misschien de jood). De katholiek volgt de wereld. Terwijl protestanten elk hun eigen wegwijzer opstellen. De katholiek gebruikt de wegwijzers die er zijn. Hij weet dat er ingenieurs, wegwerkers, leidinggevenden van de openbare werken zijn. Leidinggevenden, een bewonderenswaardig woord. We weten niet of ze leiding geven aan de weg of dat ze eenvoudigweg hun ondergeschikten leiden. De katholiek raadpleegt de wegwijzers enkel om ze te raadplegen... zaterdag 1 augustus 1914.
(Ch. Péguy, Oeuvres en prose complètes, v. III, Parijs 1992, pp. 1476-1477)

Angelö Scöla

Vorige week sprak Angelo kardinaal Scola, patriarch van Venetië en expert in de door Johannes Paulus II geïntroduceerde "theologie van het lichaam", in Jönköping (Zweden) op een door de minuscule katholieke gemeenschap aldaar georganiseerde conferentie over het gezin. Zijn lezing was in het Engels en is hier te vinden. Over liefde en vruchtbaarheid, de zin van sexualiteit, sexuele verschillen, huwelijk en gezin.

woensdag 19 mei 2010

Sombere Amerikaanse visie op Europa

Wordt Europa ten opzichte van Amerika wat de Centraalaziatische republieken (landen als Kazachstan, Oezbekistan, Tadzjikistan) zijn ten opzichte van Rusland? Pijnlijke analyse van Richard Haass (voorzitter van de Council on Foreign Relations van de Amerikaanse regering; volgens Spengler "no personage stands closer [than he] to the center of the American foreign policy establishment") in de Financial Times (je moet je even gratis registreren op de website en dan kun je het stuk lezen). De laatste alinea:
The combination of structural economic flaws, political parochialism and military limits will accelerate this transatlantic drift. A weaker Europe will possess a smaller voice and role. Nato will no longer be the default partner for American foreign policy. Instead, the US will forge coalitions of the willing to deal with specific challenges. These clusters will sometimes include European countries, but rarely, if ever, will the US look to either Nato or the EU as a whole. Even before it began, Europe’s moment as a major world power in the 21st century looks to be over.

maandag 17 mei 2010

Wijsheid van een Afrikaanse voetballer

God heeft ons het leven gegeven en onze gezondheid en Hij laat ons doen wat we het liefste willen, namelijk voetballen. We moeten Hem daarvoor blijvend bedanken.
(Kameroense voetbalkampioen Samuel Eto’o)

zondag 16 mei 2010

Ideeën en werkelijkheid

Vandaag zijn zeker tweehonderdduizend mensen naar Rome gekomen om samen met de paus en voor hem te bidden.
In de Kerk is - gelukkig! - niet de "verbeelding aan de macht" (zoals in ideo-logische regimes), maar de nederige doch zeer reële Christus (zicht- en tastbaar in de mensen die hem willen volgen en zich door hem willen laten veranderen, onder de leiding van het college van de opvolgers van de apostelen, met en onder de opvolger van Petrus, als zodanig nederige doch zeer reële, zicht- en tastbare vicaris van Christus op aarde).
Steeds trouwer aan wat en hoe ze moet zijn, kan de Kerk, opgebouwd uit zondaars, werkelijk die plaats van hoop zijn die de wereld nodig heeft.

Hoop

Uit de boodschap van paus Benedictus XVI aan de Ökumenische Kirchentag in München:
[U]nsere Welt braucht Hoffnung, unsere Zeit braucht Hoffnung. Aber ist die Kirche eigentlich ein Ort der Hoffnung? In den letzten Monaten sind wir mit immer neuen Meldungen konfrontiert worden, die uns die Freude an der Kirche nehmen möchten, sie als Ort der Hoffnung verdunkeln. Wie die Knechte des Gutsherrn im Gleichnis des Evangeliums vom Gottesreich, so möchten auch wir den Herrn fragen: „Herr, hast du nicht guten Samen auf deinen Acker gesät? Woher kommt dann das Unkraut?" (Mt 13,27). Ja, der Herr hat mit seinem Wort und mit der Hingabe seines Lebens wahrhaftig guten Samen auf den Acker der Erde gesät. Er ist aufgegangen und geht auf. Wir brauchen dabei nicht nur an die großen Lichtgestalten der Geschichte zu denken, denen die Kirche das Prädikat „heilig", das heißt ganz von Gott durchdrungen, von ihm her leuchtend zuerkannt hat. Jeder von uns kennt auch die kleinen, von keiner Zeitung erwähnten und in keiner Chronik zitierten Menschen, die vom Glauben her zu einer großen Menschlichkeit und Güte gereift sind. Abraham hat in seinem leidenschaftlichen Disput mit Gott um den Erhalt der Stadt Sodom vom Herrn der Welt die Zusicherung erhalten, wenn es dort zehn Gerechte gebe, werde er die Stadt verschonen (Gen 18,22-33). Wie viel mehr als zehn Gerechte gibt es in unseren Städten gottlob! Wenn wir ein wenig wach sind, wenn wir nicht nur das Dunkle, sondern das Helle und Gute in unserer Zeit wahrnehmen, sehen wir, wie der Glaube die Menschen rein und gütig macht und sie zur Liebe erzieht. Noch einmal: Es gibt das Unkraut gerade auch mitten in der Kirche und unter denen, die der Herr in besonderer Weise in seinen Dienst genommen hat. Aber das Licht Gottes ist nicht untergegangen, der gute Weizen nicht erstickt worden von der Saat des Bösen.
„Damit ihr Hoffnung habt": Dieser Satz will uns zuallererst dazu einladen, den Blick für das Gute und für die Guten nicht zu verlieren. Er will uns einladen, selbst gut zu sein und immer neu gut zu werden; er will uns einladen, wie Abraham mit Gott um die Welt zu streiten und dabei leidenschaftlich selbst danach zu streben, von Gottes Gerechtigkeit her zu leben.
Ist also die Kirche ein Ort der Hoffnung? Ja, denn von ihr kommt immer wieder Gottes Wort zu uns, das uns reinigt und den Weg des Glaubens zeigt. Sie ist es, weil in ihr der Herr sich immer wieder selbst schenkt – in der Gnade der Sakramente, im Wort der Versöhnung, in den vielfältigen Gaben seines Trostes. Das kann durch nichts verdunkelt und zerstört werden. Darüber sollen wir uns mitten in aller Drangsal freuen. Wenn wir von der Kirche als Ort der von Gott herkommenden Hoffnung sprechen, dann bedeutet dies zugleich eine Gewissenserforschung: Wie gehe ich mit der Hoffnung um, die der Herr uns geschenkt hat? Lasse ich mich wirklich von seinem Wort formen? Lasse ich mich von ihm ändern und heilen? Wieviel Unkraut wächst eigentlich in mir selbst? Bin ich bereit, es auszureißen? Bin ich dankbar für das Geschenk der Vergebung und bereit, meinerseits anderen zu vergeben und zu heilen, statt zu verdammen?
Fragen wir noch einmal: Was ist das eigentlich „Hoffnung"? Die Dinge, die wir selber machen können, sind nicht Gegenstand der Hoffnung, sondern Aufgabe für uns, die wir mit der Kraft unseres Verstandes, unseres Willens und unseres Herzens zu erfüllen haben. Aber wenn wir über all das nachdenken, was wir leisten können und müssen, dann fällt uns auf, daß wir die allergrößten Dinge nicht machen können. Sie können nur als Geschenk zu uns kommen: die Freundschaft, die Liebe, die Freude, das Glück. Noch etwas will ich dabei anmerken: Wir alle wollen leben, und auch das Leben können wir uns nicht selber geben. Kaum noch jemand spricht freilich heute über das ewige Leben, das einst der eigentliche Gegenstand des Hoffens war. Weil man nicht daran zu glauben wagt, muß man nun alles von diesem Leben erhoffen. Das Beiseite-Lassen der Hoffnung auf das ewige Leben führt zu einer Gier nach Leben jetzt und hier, die fast unausweichlich egoistisch wird und schließlich unerfüllbar bleibt. Gerade wenn wir das Leben selber als eine Art Habe an uns reißen wollen, läuft es uns davon. Aber kehren wir zurück. Die großen Dinge des Lebens können wir nicht machen, wir können sie nur erhoffen. Die frohe Botschaft des Glaubens besteht eben darin: Es gibt den, der sie uns schenken kann. Wir sind nicht allein gelassen. Gott lebt. Gott liebt uns. In Jesus Christus ist er einer von uns geworden. Ich kann ihn anreden, und er hört mir zu. Darum sagen wir mit Petrus in der Wirrnis unserer Zeiten, die uns so viele andere Wege einreden, zu ihm: „Herr, zu wem sollen wir gehen? Du hast Worte des ewigen Lebens. Wir haben geglaubt und erkannt: Du bist der Heilige Gottes" (Joh 6,68f).
Liebe Freunde: Ich wünsche allen [...]daß Euch neu die Freude darüber überkommt, daß wir Gott kennen dürfen. Daß wir Christus kennen. Daß er uns kennt. Das ist unsere Hoffnung und unsere Freude mitten in den Wirrnissen dieser Zeit.

zaterdag 15 mei 2010

Why aren’t we there yet?

Enkele alinea's van een artikel in First Things van hoofdredacteur Joseph Bottum, over het misbruikschandaal, verdienen het geciteerd te worden (zie hieronder).
Maar lees vooral in z'n geheel dit uitgebreidere artikel dat dezelfde auteur op 3 mei schreef in The Weekly Standard.

Hier uit First Things:
A more accurate understanding, as I wrote in a recent Weekly Standard article, would see that the first part of the scandals—the most evil, disgusting part—is basically over. For a variety of reasons, Catholics suffered through a corruption of their priests, centered around 1975, with the clergy’s percentage of sexual predators reaching new and vile levels. The Church now has in place stringent child-protection procedures, and the cases now being discussed, real and imagined, are more than a decade old.
The second part of the scandals, however, involves not the mostly dead criminals but the living institution. The bishops who ruled over those corrupt priests catastrophically failed to act. There were never a lot of these Catholic cases, but there were plenty enough—with every single one a horror, both in the act itself and in the failure of the bishops to react. The Catholic Church did not start the worldwide epidemic of child sexual abuse, and it did not materially advance it. But the bureaucracy of the Church did not do nearly enough to fight that epidemic when it broke out among its own clergy. And for these failures, every Catholic is paying—in nearly $3 billion of donations lost in court judgments, in suspicion of pastors, and in deep shame.
Insofar as anyone comes out well from all this, it is Pope Benedict. However much the narrative demands that he be pulled in, nothing yet published has held up to serious scrutiny. Which ought not, really, to be a surprise. This man was the one who actually saw there was a problem—the one who, in 2005, openly denounced the “filth in the Church and in the priesthood.” A Maltese abuse victim who met the pope this April told an interviewer, “I did not have any faith in priests. Now, after this moving experience, I have hope again. You people in Italy have a saint. Do you realize that? You have a saint!”
Not that the Vatican has managed to tell this story. The responses of the bureaucracy in Rome have swung between unhelpful silences and wrong-headed whines. There may be good reasons not to play the publicity games—driven by media cycles and celebrity culture and dramas of shame and fame—in which the world is caught up these days. The wheels of Catholicism have always ground slowly, operating with a deliberation that will not, and should not, match the world’s hectic pace. Then again, there may be good reasons for the Church to take the world as it finds it, trying to move people toward Christ from where those people actually are.

vrijdag 14 mei 2010

"To such persons, the Pope says, as does Jesus..."

Brothers and sisters, in listening to these innocent and profound mystical confidences of the shepherd children [of Fatima], one might look at them with a touch of envy for what they were able to see, or with the disappointed resignation of someone who was not so fortunate, yet still demands to see. To such persons, the Pope says, as does Jesus: “Is not this the reason you are wrong, that you know neither the Scriptures nor the power of God?” (Mk 12:24). The Scriptures invite us to believe: “Blessed are those who have not seen and yet have come to believe” (Jn 20:29), but God, who is more deeply present to me than I am to myself (cf. Saint Augustine, Confessions, III, 6, 11) – has the power to come to us, particularly through our inner senses, so that the soul can receive the gentle touch of a reality which is beyond the senses and which enables us to reach what is not accessible or visible to the senses. For this to happen, we must cultivate an interior watchfulness of the heart which, for most of the time, we do not possess on account of the powerful pressure exerted by outside realities and the images and concerns which fill our soul (cf. Theological Commentary on The Message of Fatima, 2000). Yes! God can come to us, and show himself to the eyes of our heart.
Moreover, that Light deep within the shepherd children, which comes from the future of God, is the same Light which was manifested in the fullness of time and came for us all: the Son of God made man. He has the power to inflame the coldest and saddest of hearts, as we see in the case of the disciples on the way to Emmaus (cf. Lk 24:32). Henceforth our hope has a real foundation, it is based on an event which belongs to history and at the same time transcends history: Jesus of Nazareth. The enthusiasm roused by his wisdom and his saving power among the people of that time was such that a woman in the midst of the crowd – as we heard in the Gospel – cried out: “Blessed is the womb that bore you, and the breasts that nursed you!”. And Jesus said: “Blessed rather are those who hear the word of God and obey it!” (Lk 11:27-28). But who finds time to hear God’s word and to let themselves be attracted by his love? Who keeps watch, in the night of doubt and uncertainty, with a heart vigilant in prayer? Who awaits the dawn of the new day, fanning the flame of faith? Faith in God opens before us the horizon of a sure hope, one which does not disappoint; it indicates a solid foundation on which to base one’s life without fear; it demands a faith-filled surrender into the hands of the Love which sustains the world.
“Their descendants shall be known among the nations, […] they are a people whom the Lord has blessed” (Is 61:9) with an unshakable hope which bears fruit in a love which sacrifices for others, yet does not sacrifice others. Rather, as we heard in the second reading, this love “bears all things, believes all things, hopes all things, endures all things” (1 Cor 13:7). An example and encouragement is to be found in the shepherd children, who offered their whole lives to God and shared them fully with others for love of God. Our Lady helped them to open their hearts to universal love. Blessed Jacinta, in particular, proved tireless in sharing with the needy and in making sacrifices for the conversion of sinners. Only with this fraternal and generous love will we succeed in building the civilization of love and peace.
We would be mistaken to think that Fatima’s prophetic mission is complete. Here there takes on new life the plan of God which asks humanity from the beginning: “Where is your brother Abel […] Your brother’s blood is crying out to me from the ground!” (Gen 4:9). Mankind has succeeded in unleashing a cycle of death and terror, but failed in bringing it to an end… In sacred Scripture we often find that God seeks righteous men and women in order to save the city of man and he does the same here, in Fatima, when Our Lady asks: “Do you want to offer yourselves to God, to endure all the sufferings which he will send you, in an act of reparation for the sins by which he is offended and of supplication for the conversion of sinners?” (Memoirs of Sister Lúcia, I, 162).
(Uit de preek van Benedictus XVI tijdens de H. Mis in het Heiligdom van O.L. Vrouw van Fatima, Fatima, 13 mei 2010)

donderdag 13 mei 2010

Wijsheid en ideaal

Enkele citaten uit de preken en toespraken van de paus dezer dagen in Portugal.

1. Uit de preek tijdens de H. Mis op het Terreiro do Paço van Lissabon, dinsdag 11 mei:
Often we are anxiously preoccupied with the social, cultural and political consequences of the faith, taking for granted that faith is present, which unfortunately is less and less realistic. Perhaps we have placed an excessive trust in ecclesial structures and programmes, in the distribution of powers and functions; but what will happen if salt loses its flavour?
2. Uit de toespraak tijdens een ontmoeting met vertegenwoordigers van de cultuur, Cultureel Centrum Belém, Lissabon, woensdag 12 mei:
Today’s culture is in fact permeated by a “tension” which at times takes the form of a “conflict” between the present and tradition. The dynamic movement of society gives absolute value to the present, isolating it from the cultural legacy of the past, without attempting to trace a path for the future. This emphasis on the “present” as a source of inspiration for the meaning of life, both individual and social, nonetheless clashes with the powerful cultural tradition of the Portuguese people, deeply marked by the millenary influence of Christianity and by a sense of global responsibility. This came to the fore in the adventure of the Discoveries and in the missionary zeal which shared the gift of faith with other peoples. The Christian ideal of universality and fraternity inspired this common adventure, even though influences from the Enlightenment and laicism also made themselves felt. This tradition gave rise to what could be called a “wisdom”, that is to say, an understanding of life and history which included a corpus of ethical values and an “ideal” to be realized by Portugal, which has always sought to establish relations with the rest of the world.
The Church appears as the champion of a healthy and lofty tradition, whose rich contribution she sets at the service of society. Society continues to respect and appreciate her service to the common good but distances itself from that “wisdom” which is part of her legacy. This “conflict” between tradition and the present finds expression in the crisis of truth, yet only truth can provide direction and trace the path of a fulfilled existence both for individuals and for a people. Indeed, a people no longer conscious of its own truth ends up by being lost in the maze of time and history, deprived of clearly defined values and lacking great and clearly formulated goals. Dear friends, much still needs to be learned about the form in which the Church takes her place in the world, helping society to understand that the proclamation of truth is a service which she offers to society, and opening new horizons for the future, horizons of grandeur and dignity. The Church, in effect, has “a mission of truth to accomplish, in every time and circumstance, for a society that is attuned to man, to his dignity, to his vocation. […] Fidelity to man requires fidelity to the truth, which alone is the guarantee of freedom (cf. Jn 8:32) and of the possibility of integral human development. For this reason the Church searches for truth, proclaims it tirelessly and recognizes it wherever it is manifested. This mission of truth is something that the Church can never renounce” (Caritas in Veritate, 9). For a society made up mainly of Catholics, and whose culture has been profoundly marked by Christianity, the search for truth apart from Christ proves dramatic. For Christians, Truth is divine; it is the eternal “Logos” which found human expression in Jesus Christ, who could objectively state: “I am the truth” (Jn 14:6). The Church, in her adherence to the eternal character of truth, is in the process of learning how to live with respect for other “truths” and for the truth of others. Through this respect, open to dialogue, new doors can be opened to the transmission of truth.
“The Church – wrote Pope Paul VI – must enter into dialogue with the world in which she lives. The Church becomes word, she becomes message, she becomes dialogue” (Ecclesiam Suam, 67). Dialogue, without ambiguity and marked by respect for those taking part, is a priority in today’s world, and the Church does not intend to withdraw from it. A testimony to this is the Holy See’s presence in several international organizations [...]
Precisely so as “to place the modern world in contact with the life-giving and perennial energies of the Gospel” (John XXIII, Apostolic Constitution Humanae Salutis, 3), the Second Vatican Council was convened. There the Church, on the basis of a renewed awareness of the Catholic tradition, took seriously and discerned, transformed and overcame the fundamental critiques that gave rise to the modern world, the Reformation and the Enlightenment. In this way the Church herself accepted and refashioned the best of the requirements of modernity by transcending them on the one hand, and on the other by avoiding their errors and dead ends. The Council laid the foundation for an authentic Catholic renewal and for a new civilization – “the civilization of love” – as an evangelical service to man and society.
Dear friends, the Church considers that her most important mission in today’s culture is to keep alive the search for truth, and consequently for God; to bring people to look beyond penultimate realities and to seek those that are ultimate. I invite you to deepen your knowledge of God as he has revealed himself in Jesus Christ for our complete fulfilment. Produce beautiful things, but above all make your lives places of beauty. May Our Lady of Belém intercede for you, she who has been venerated down through the centuries by navigators, and is venerated today by the navigators of Goodness, Truth and Beauty.
3. Uit de toespraak tijdens de viering van de vespers met priesters, religieuzen, diakens en seminaristen, H. Geestkerk, Fatima, woensdag 12 mei:
Fidelity to one’s vocation requires courage and trust, but the Lord also wishes that you join forces: that you be concerned for one another and support one another fraternally. Moments of common prayer and study, and sharing in the demands of the priestly life and work, are a necessary part of your life. It is a fine thing when you welcome one another into your homes with the peace of Christ in your hearts! It is important to assist one another with prayer, helpful advice and discernment! Be especially attentive to those situations where there is a certain weakening of priestly ideals or dedication to activities not fully consonant with what is proper for a minister of Jesus Christ. Then is the time to take a firm stand, with an attitude of warm fraternal love, as brother assisting his brother to “remain on his feet”.
4. Uit de toespraak bij het rozenkransgebed, kapel van de verschijningen, heiligdom van Onze Lieve Vrouw van Fatima, woensdag 12 mei:
Neither Mary nor we have a light of our own: we receive it from Jesus. His presence within us renews the mystery and the call of the burning bush which once drew Moses on Mount Sinai and still fascinates those aware of the light within us which burns without consuming us (cf. Ex 3:2-5). We are merely a bush, but one upon which the glory of God has now come down. [...]
God ordered Moses: “Take off your shoes, for the place on which you stand is holy ground” (Ex 3:5). And that is what he did: he would put his shoes back on to free his people from slavery in Egypt and to guide them to the promised land. This was not about the possession of a parcel of land or about the national territory to which every people has a right; in the struggle for the freedom of Israel and in the exodus from Egypt, what appears central is above all the freedom to worship, the freedom of a religion of one’s own. Throughout the history of the chosen people, the promise of a homeland comes more and more to mean this: the land is granted in order to be a place of obedience, a window open to God.
In our time, in which the faith in many places seems like a light in danger of being snuffed out for ever, the highest priority is to make God visible in the world and to open to humanity a way to God. And not to any god, but to the God who had spoken on Sinai; the God whose face we recognize in the love borne to the very end (cf. Jn 13:1) in Jesus Christ, crucified and risen. Dear brothers and sisters, worship Christ the Lord in your hearts (cf. 1 Pet 3:15)! Do not be afraid to talk of God and to manifest without fear the signs of faith, letting the light of Christ shine in the presence of the people of today, just as the Church which gives birth to humanity as the family of God sings on the night of the Easter Vigil.

Requiem aeternam, dona eis, Domine

Bij een vliegramp in Libië zijn gisteren alle meer dan honderd passagiers en bemanningsleden, op één na, om het leven gekomen. Meer dan de helft waren Nederlandse vakantiegangers.
Hoc si aegre ferendum est, / Dit is een zeer bitter gegeven, / omnibus, qui in hanc vitam procreati sunt, utique commune est. / maar al degenen die voor dit leven op de wereld gezet zijn, hebben het gemeen. / Hoc scio, neminem fuisse mortuum, qui non fuerat aliquando moriturus. Finis autem vitae tam longam quam brevem vitam hoc idem facit. Neque enim aliud melius et aliud deterius, aut aliud maius et aliud brevius est, quod iam pariter non est. / Dit weet ik, dat niemand gestorven is, die niet eens had moeten sterven. Het einde van het leven maakt een lang en een kort leven gelijk. Wat ueberhaupt niet meer is, is niet beter of slechter, noch langer of korter. / Quid autem interest, quo mortis genere vita ista finiatur, quando ille, cui finitur, iterum mori non cogitur? Cum autem unicuique mortalium sub cotidianis vitae huius casibus innumerabiles mortes quodam modo comminentur, quamdiu incertum est quaenam earum ventura sit: / Wat maakt het dus uit met welke soort dood dit leven eindigt, als degene, wiens leven afgelopen is, niet nogmaals vatbaar is voor de dood? Elk van de stervelingen wordt in de dagelijkse omstandigheden van dit leven bedreigd door oneindig veel manieren van doodgaan, zolang het onzeker is welke dood hij zal sterven: / quaero utrum satius sit unam perpeti moriendo an omnes timere vivendo. / ik vraag dus of het beter is stervend één dood te ondergaan dan ze, levend, allemaal te vrezen. / Nec ignoro quam citius eligatur diu vivere sub timore tot mortium quam semel moriendo nullam deinceps formidare. / Toch weet ik dat men onmiddellijk ervoor zou kiezen lang te leven met de angst op vele manieren te kunnen sterven, in plaats van één keer te sterven en geen dood meer te hoeven vrezen. / Sed aliud est quod carnis sensus infirmiter pavidus refugit, aliud quod mentis ratio diligenter enucleata convincit. / Maar één ding is wat ons instinct, verstijfd van angst, ontvlucht, en iets anders is wat de rede van onze geest, door ijver zichzelf geworden, als waar inziet. / Mala mors putanda non est, quam bona vita praecesserit. Neque enim facit malam mortem, nisi quod sequitur mortem. / Niet als iets slechts moet beschouwd worden een dood, waaraan een goed leven voorafgegaan is. En niets kan de dood slecht maken, dan wat er op de dood volgt. / Non itaque multum curandum est eis, qui necessario morituri sunt, quid accidat ut moriantur, sed moriendo quo ire cogantur. / Wie hoe dan ook zal sterven, moet zich dus niet zozeer bezighouden met wat hem zijn dood zal brengen, als wel met de plaats waarheen hij, met zijn dood, gedwongen zal worden te gaan. / Cum igitur Christiani noverint longe meliorem fuisse religiosi pauperis mortem inter lingentium canum linguas quam impii divitis in purpura et bysso, horrenda illa genera mortium quid mortuis obfuerunt, qui bene vixerunt? / Christenen weten dat de dood van de arme Lazarus, temidden van de honden die hem likten, veruit te prefereren was boven die van de ongelovige rijke, die gekleed ging in purper en het fijnste linnen; wat kan dus zo'n afschuwelijke manier van sterven geschaad hebben aan hen die goed hebben geleefd? (S. Augustinus, De Civitate Dei, liber I, 11).
Requiem aeternam, dona eis, Domine.

Een jongetje van tien heeft de ramp op wonderbaarlijke wijze overleefd, volgens het Brabants Dagblad een zekere Ruben van Assouw, uit Tilburg. Wie weet wat het Mysterie met hem voor heeft.

woensdag 12 mei 2010

Het laatste woord in de geschiedenis

We publiceren een vertaling van het antwoord van paus Benedictus op een vraag van journalisten tijdens de vlucht die hem gisteren naar Portugal bracht.
De paus legt uit wat de betekenis is van een verschijning, en zegt verder dat de grootste "vervolging" (niet: "(be)dreiging" (Trouw), "aanvechting" (ND) of "kwelling" (de Volkskrant)) van de Kerk niet komt van vijanden van buiten, maar ontstaat uit de zonde in de Kerk zelf.
Allereerst wil ik er mijn vreugde over uiten naar Fatima te gaan om te bidden tot Onze Lieve Vrouw van Fatima, die voor ons een teken is van de aanwezigheid van het geloof; dat juist uit de kleinsten een nieuwe kracht van het geloof geboren wordt, dat zich vervolgens niet beperkt tot de kleinsten, maar een boodschap heeft voor de hele wereld en de geschiedenis raakt en verlicht in het heden. Bij de presentatie [van de boodschap van Fatima] in 2000, zei ik dat een verschijning een bovennatuurlijke impuls kent, die niet enkel voortkomt uit het voorstellingsvermogen van de persoon, maar werkelijk van de Maagd Maria, van het bovennatuurlijke, en dat een dergelijke impuls binnentreedt in een subject en zich uitdrukt binnen de mogelijkheden van het subject. Het subject wordt bepaald door zijn historische, persoonlijke en temperamentele condities en vertaalt het bovennatuurlijke daarom binnen zijn voorstellings- en uitdrukkingsmogelijkheden; maar in deze uitdrukkingen, gevormd door het subject, verbergt zich een inhoud die verder gaat, dieper ligt, en die we pas in de loop van de geschiedenis in heel haar diepte kunnen zien, een diepte die - zouden we kunnen zeggen - "gekleed" is in dit visioen dat zich aan concrete personen heeft voorgedaan. Ik zou ook hier nogmaals willen zeggen dat, naast dit grote visioen van het lijden van de paus, dat in de eerste plaats verwijst naar paus Johannes Paulus II, er toekomstige realiteiten van de Kerk zijn weergegeven, die geleidelijkaan groeien en zich laten zien. Daarom is het waar dat in het visioen, naast het moment dat er aangegeven wordt, gesproken wordt over, men de noodzaak ziet van een lijdensweg van de Kerk, die uiteraard wordt weerspiegeld in de persoon van de paus, maar de paus staat voor de Kerk en het is dus lijden van de Kerk dat aangekondigd wordt. De Heer heeft ons gezegd dat de Kerk altijd zou lijden, op verschillende manieren, tot het einde van de wereld. Het is belangrijk dat de boodschap, het antwoord van Fatima, zich in wezen niet richt op bijzondere devoties, maar op het fundamentele antwoord zelf, dat wil zeggen voortdurende bekering, boete, gebed, en de drie hoofddeugden: geloof, hoop en liefde. Hier zien we het echte en fundamentele antwoord dat de Kerk moet geven, dat wij, ieder van ons, moet geven in deze situatie. Eén van de nieuwe dingen die we vandaag de dag kunnen ontdekken in deze boodschap is het feit dat de aanvallen op de paus en op de Kerk niet enkel van buiten komen, maar dat het lijden van de Kerk juist van binnen de Kerk zelf komt, van de zonde die er binnen de Kerk bestaat. Ook dit hebben we altijd geweten, maar vandaag de dag zien we het op een werkelijk angstaanjagende manier: de grootste vervolging van de Kerk komt niet van vijanden van buiten, maar ontstaat uit de zonde in de Kerk. De Kerk heeft het dus ten zeerste nodig opnieuw te leren boete te doen, zuivering te accepteren, van de ene kant te leren zich te laten vergeven, maar ook de noodzaak te leren van rechtvaardigheid. Vergeving vervangt niet de rechtvaardigheid. In één woord, we moeten opnieuw iets zeer wezenlijks leren: bekering, gebed, boete en de theologische deugden. Zo antwoorden we en worden we realistisch; wetend dat het kwaad steeds zal aanvallen, van binnenuit en van buitenaf, maar ook dat steeds de krachten van het goede aanwezig zijn en dat, uiteindelijk, de Heer sterker is dan het kwaad. En Onze Lieve Vrouw is voor ons de zichtbare, moederlijke garantie van Gods goedheid, die altijd het laatste woord in de geschiedenis is.

dinsdag 11 mei 2010

Vlaamse godsdienstleraren aan het woord

Dezer dagen zei aartsbisschop Léonard van Mechelen-Brussel: "Ik wil opnieuw een lijn in het godsdienstonderwijs. Die les moet gaan over het christendom en over de figuur van Jezus. Als jongeren dat allemaal niet meer meekrijgen, hoe wil je dan dat ze bij de Kerk blijven hangen? Godsdienstles is iets anders dan maatschappijleer. Laat dat nu maar eens duidelijk zijn".

Vandaag reageren enkele Belgische godsdienstleraren in De Standaard:
Net als Delporte hebben zijn collega's gehoord wat aartsbisschop André-Joseph Léonard over de godsdienstlessen te vertellen had. Een beetje gelijk heeft hij wel, is de teneur in de leraarskamer. 'We zijn met de zesdejaars net drie dagen op bezinning geweest in de abdij van Orval', zegt Eric Segers. Hij geeft godsdienst in het vijfde en het zesde middelbaar. 'Een leerling zei toen dat hij nu wel genoeg gehoord had over andere godsdiensten. Hij wilde eindelijk eens weten waar het christendom eigenlijk om draait.'
'Sinds tien jaar moeten we zoveel mogelijk levensbeschouwingen aan bod laten komen [van wie? -mp] en als christenen een stapje terug zetten tijdens de lessen godsdienst', zegt de onderdirecteur. 'Dan mag niemand het ons nu kwalijk nemen dat we het christendom niet op de voorgrond zetten.'
De directeur Armand Delepeleire vindt dat Léonard wel een pijnpunt heeft blootgelegd. 'Er mag best weer wat meer kennis over het christendom in de lessen', zegt hij. 'Want alles begint daarmee. Het christendom is een van de fundamenten van onze maatschappij. Hoe kan je de juiste inzichten verwerven zonder de nodige kennis over die godsdienst.'
Elementary, Dr. Watson, maar daarom niet minder waar.

Iets gekruider nu

Uit een openhartig interview ('Nooit stonden we er zo slecht voor') met aartsbisschop Léonard van Mechelen-Brussel, na afloop van het Ad limina-bezoek van de Belgische bisschoppen:
Nog even Vangheluwe. Bent u niet bang voor wat er nog allemaal boven water zal komen?

Ik ben daar niet bang voor. De onderste steen moet boven komen. Pas dan kunnen we aan de heropbouw beginnen. Vandaar mijn oproep aan eenieder om zich niet aan het priesterschap te wagen of zich tot bisschop te laten wijden als hij boter op zijn hoofd heeft. En aan de slachtoffers: stap naar de misbruikcommissie of naar het gerecht. Hoe eerder hoe liever.
[...]
Wat gaat u aan het priestertekort doen?

We moeten de seminaries nog meer uitbouwen tot kwalitatieve opleidingen die een forse uitstraling hebben naar jongeren. Ze zeggen van mij dat ik een conservatief ben.
Welnu, ik kan je zeggen dat de conservatief met wie je nu spreekt aan de praat is met enkele jongeren die er aanvankelijk aan dachten naar Nederland te trekken, maar nu wellicht toch naar het seminarie in Leuven zullen gaan. Je ziet ook dat er in nieuwe communauteiten wél roepingen zijn. Dat moeten we aanmoedigen.

Hoe wil u jongeren weer bij de Kerk betrekken?

Ik wil opnieuw een lijn in het godsdienstonderwijs. Die les moet gaan over het christendom en over de figuur van Jezus. Als jongeren dat allemaal niet meer meekrijgen, hoe wil je dan dat ze bij de Kerk blijven hangen? Godsdienstles is iets anders dan maatschappijleer. Laat dat nu maar eens duidelijk zijn.

U doet het wel helemaal anders dan uw voorganger, niet?

Ik zal u antwoorden met de woorden van mijn voorganger. Het menu is hetzelfde, alleen de garçon is anders.

Gooit Léonards woordvoerder Eric de Beukelaer er snel tussen:
'En de kruiden zijn anders. 't Is wat pikanter nu.'
Zie hier een Nederlandse vertaling van de toespraak van de paus tot de Belgische bisschoppen aan het einde van hun Ad limina-bezoek.

zondag 9 mei 2010

Meer samenleving, minder staat

In deze tijd van voorbereiding op de verkiezingen publiceren we de aantekeningen van een in 1987 door de Italiaanse priester Luigi Giussani gehouden toespraak (in het Italiaans gepubliceerd als "Più società meno Stato" in Giussani, L'io, il potere e le opere, Genua 2001, pp. 44-48).
Het Christendom is niet ontstaan als religie maar als een krachtige liefde voor de mens, in de concreetheid van de persoon, een individu dat geboren wordt uit een vrouw. "Een passie voor de mens": zonder dit uitgangspunt voor ogen te hebben, is het moeilijk de betekenis van de figuur van Christus zelf te begrijpen.
Een passie voor de mens, en dus een passie voor diens vrijheid: typisch voor de mens is zijn vrijheid.
"De waarheid zal u vrij maken" (Joh 8,32). Dus moet de waarheid over de mens vastgesteld, bevestigd en geholpen worden zich uit te drukken.
De waterscheiding tussen slavernij en vrijheid is, voor de christelijke traditie, het bestaan, in het individu, van een kern die niet teruggebracht kan worden tot zijn biologische en historische antecedenten. Deze kern wordt existentieel waargenomen als een geheel van behoeften die in hun wortel ten diepste één zijn, een geheel van fundamentele behoeften, gekenmerkt door een structurele onbevredigbaarheid, en die dus de mogelijkheid van de grote hypothese* of grote intuïtie met zich meebrengen.
De vaststelling van deze grote werkelijkheid, die uitstijgt boven de gehele horizon die de dynamiek van deze behoeften opent, is de grootste en meest betekenisvolle ontdekking van het leven. Ze is vooral beslissend voor de waarde van de enkeling, de persoon.
"De mens leeft niet van brood alleen" (Mt 4,4; Lc 4,4): deze fundamentele behoeften drukken zich uit in wezenlijke verlangens. Het verlangen drukt een dynamiek uit die gemakkelijk herkend kan worden, ook existentieel: "Oneindige verlangens / en hoge visioenen / schept van nature / in 't vage denken / nobele schoonheid", zei Leopardi.
Juist deze relatie met het Oneindige, de waarde van deze oorspronkelijke kern maakt de mens, van zijn eerste levenstekenen tot aan zijn laatste en schijnbaar nutteloze ouderdom, in welke situatie en conditie dan ook, tot een - ik gebruik met opzet een overdreven term - aanbiddelijk en onaantastbaar wezen. Ik kan als mens geen andere reden bedenken voor de menselijke waardigheid, waarvoor alles zich moet buigen of in functie waarvan alles zich moet bewegen; ook en vooral het samenleven, want zonder die waarde zou respect voor het individu en respect voor de persoon niets anders zijn dan voluntaristisch geweld.
De structuur van de samenleving moet dienstbaar zijn aan deze structuur van de mens - en niet andersom - in een, wellicht moeizame, organiciteit die bedacht en beschermd moet worden. Welnu, de facto neigt de macht, die de grootste rijkdom is waarover de mens in zijn bestaan kan beschikken, ertoe zich te interesseren voor datgene wat de macht zelf kan ondersteunen, d.w.z. is geneigd tot zelfhandhaving. Ze is dus niet zozeer geïnteresseerd in de mens (of althans is geneigd zich niet voor de mens te interesseren), als wel in zijn reacties, want die kan ze gebruiken en invoegen in een programma, volgens een bepaalde lijn.
Kortom, de macht kent de verleiding de reacties van de mens haarfijn te besturen, en hoe geraffineerder de instrumenten van de collectieve relaties worden, des te groter wordt deze mogelijkheid. De structuur van de samenleving neigt ertoe die behoeften toe te staan die functioneel zijn aan de status quo, ofwel aan een, laten we zeggen, revolutionair project of programma, dat de status quo omver wil werpen.
De nadruk op "gemeenschappelijke waarden", bijvoorbeeld, lijkt me een terugval, een poging tot homologisering die ertoe leidt ongemakkelijke verschillen te verdoezelen en te veronachtzamen, en met die verschillen uiteindelijk de werkelijke identiteiten. Zo lijkt het me onmogelijk dat het deelhebben aan de macht van een bepaald historisch moment niet doet handelen op een manier die potentieel tegengesteld is aan de oorspronkelijke waarde van de persoon. Hier wordt macht overmacht, als ze tenminste niet voortdurend tegenwind krijgt; hierin waakzaam en constructief te zijn is voor mij ware en levende democratie.
Het probleem is analoog aan wat gebeurt tussen een zelf-bewuste persoon en zijn Bestemming: als de persoon niet voortdurend aan zijn Bestemming herinnerd wordt, is zijn onderwerping en functionaliteit aan de Bestemming onmogelijk. Er kan geen uur voorbijgaan zonder dat zijn weg tegengesproken en gecorrumpeerd wordt! Want er is een soort zwaartekracht die alle impulsen verstikt, ook de hoogste: terwijl deze zich nog ontwikkelen, buigt die kracht ze al om tot een houding die aan de oorspronkelijke impuls tegengesteld is.
Daarom lijkt me dat de macht van de samenleving de oorspronkelijke impuls van de persoon alleen dan niet kan tegenhouden, wanneer ze door samenwerkingsvormen "als door een koor" uitgedaagd, gezift en ondersteund wordt. Alleen als het volk waakzaam is, wordt macht geen overmacht.
Democratie ontstaat als dialoog en samenwerking tussen menselijke entiteiten die elkaar hoogachten in hun precieze identiteiten, en die elkaar respecteren, niet omdat ze zichzelf beperken, maar omwille van de ondoorgrondelijke Bestemming van het verschil, die, zoals Pascoli dicht, "verschillende weg is naar hetzelfde lot".
Het is in deze zin dat een werkelijk religieuze geest niet anders dan echt democratisch kan zijn. Maar zonder dit inzicht of dit perspectief van het Mysterie dat in alles aanwezig is, weet ik niet of de mens in staat is die "vererende" houding aan te nemen waardoor de hoogachting, de voor samenleven noodzakelijke zelfopoffering, het vermogen tot samenwerken, de gemeenschappelijk beleefde waakzaamheid gevoed wordt.
Ik wijs erop dat we ten eerste niet enkel datgene kunnen aanvaarden wat door ons mogelijk, tolerabel, legitiem beschouwd wordt. Weerstand bieden aan deze heimelijke beperking (ik zeg "heimelijk" omdat ik denk dat ze zich, althans in het begin, meestal onbewust voltrekt) is niet gemakkelijk; maar weerstand bieden aan deze heimelijke beperking die in de ander enkel toestaat en accepteert wat door mij als mogelijk, tolerabel en legitiem beschouwd wordt, betekent natuurlijk een fascinerend verschil teniet doen. Je moet samenleven met de antropologische en sociale opvatting die de persoon heeft.
Er is op dit punt een andere consequentie die ik zou willen onderstrepen: ik geloof dat wie de macht heeft niet als doel mag hebben alle macht te hebben. Een werkelijk pluralisme moet de uitdrukking van de persoon toestaan, ook in haar culturele en sociale dimensies, en dus in vereniging: dat is een derde uitvloeisel, dat me doet denken aan de Mater et Magistra van Johannes XXIII, die als één van de fundamentele rechten het recht op vereniging noemt.
Dit voert mij tot de laatste gedachte die ik mij veroorloof uit te drukken. Als de waardigheid van de mens voortkomt uit die oorspronkelijke kern die niet afgeleid is van zijn vader, van zijn moeder, van het geheel aan antecedenten waarvan zij functie en instrument zijn; als de waardigheid van de mens bestaat in zijn relatie met een laatste quid, dat zich condenseert en uitdrukt - zich metafysisch condenseert en zich existentieel uitdrukt - in oneindige behoeften en verlangens; als dus een samenleven, allereerst, moet uitgaan van het respect voor de identiteit van de ander; dan stimuleren deze behoeften, deze verlangens de mens ertoe structuren te organiseren die beantwoorden aan die verlangens en die behoeften. Ze stimuleren in feite de mens des te meer naarmate zijn bewustzijn van de behoefte van het verlangen intenser is, en ze brengen hem ertoe een werk te construeren, als poging een structuur te verwezenlijken die een faciliterend en stabiel antwoord is op zijn verlangens.
De mens kan niet anders dan overeenkomsten zoeken, kan niet anders dan een gezelschap zoeken, en zo wordt de waarde van het zich verenigen in hoge mate operatief.
Volgens mij is het fundamentele punt om de relatie tussen persoon (of vrijheid) en macht (maatschappij en macht) te beoordelen precies hier gelegen: namelijk in de vraag of de maatschappij zo geleid wordt dat de kracht van de macht, allereerst, gebruikt wordt om het - individuele of collectieve - werk, dat de neiging heeft te ontstaan uit het individu en in het bijzonder uit het individu dat zich met anderen verenigt, te faciliteren, te waarderen en te intensificeren.
Daarom heb ik altijd de nadruk gelegd op de formule dat een werkelijke regering van het volk, van een menselijk levende samenleving, allereerst de creativiteit van de basis moet begunstigen en alleen daar moet ingrijpen (volgens het bekende "subsidiariteitsbeginsel" van de Sociale leer van de Kerk) om te volbrengen, te ondersteunen en eventueel te scheppen wat de werkzaamheid van bewuste en levendige mensen nog nog niet bedacht heeft. "Meer samenleving, minder staat" wil in het geheel niet zeggen dat er een schaduw gelegd wordt op de waarde van de staat, maar betekent eenvoudigweg dat de uiteindelijke horizon aangegeven wordt waarbinnen de staat handelt, en dat is die van een samenwerking met de mens, met de individuele mens, opdat die naar zijn Bestemming kan wandelen, met alle productiviteit, en daarom alle nut - in alle betekenissen - waartoe de Natuur hem in staat stelt.
* Waar Giussani het heeft over "grote intuïtie", "grote hypothese", "grote werkelijkheid", heeft hij het over de perceptie van het Mysterie dat de dingen maakt, van wat de religieuze traditie "God" noemt.

zaterdag 8 mei 2010

N.a.v. de onderzoeksaanbeveling van Deetman

Gisteren heeft oud-minister Wim Deetman zijn "Voorstel voor Onderzoek naar Seksueel Misbruik in de Rooms-katholieke Kerk in de periode van 1945 tot heden" uitgebracht.
Uitgangspunt voor het voorgestelde onderzoek is om bij benadering een wetenschappelijk onderbouwde schatting te geven hoeveel incidenten van seksueel misbruik zich hebben voorgedaan binnen de R.K. Kerkprovincie in de periode van 1945 tot nu (p. 9).

In het licht van de veelheid van meldingen en klachten dringt zich de vraag op hoe dit alles zich heeft kunnen ontwikkelen? Het gaat dan om de brede maatschappelijke context: in wat voor maatschappij konden deze gebeurtenissen plaats vinden? Het gaat verder om de r.k. gemeenschap in ons land als directe context voor de r.k. religieuze instellingen: welke rol speelden deze instellingen in het dagelijks leven van hen die deel uit maakten van die gemeenschap? Het gaat tenslotte om de instellingen zelf en hun specifieke cultuur. De slachtoffers hebben recht op beantwoording van die vraag. Drie zaken verdienen in dat verband aandacht (p. 12). Culture of silence (p. 12) [...] Celibaat en kuisheid (p. 12) [...] Bestuurlijke verantwoordelijkheden (p. 13)
Dit wordt een wetenschappelijk twijfelachtig onderzoek. Net zoals het Ierse rapport van vorig jaar, zal de commissie zich enkel bezighouden met RK misbruik. En zal dus per definitie een (wellicht flink) aantal (een "veelheid") incidenten van verschillende aard vinden, "elk op zichzelf betreurenswaardig en de kerk onwaardig" (p. 9), en (per definitie) allemaal enkel veroorzaakt door de katholieke Kerk (met haar stiltecultuur, celibaat, machtsverhoudingen enz.).
Dat zal allemaal zeker waar zijn, maar zolang er geen vergelijkend materiaal komt (en in Ierland was dat nog iets begrijpelijker omdat daar ongeveer alle opvoedingsinstellingen katholiek zijn of waren - maar ook daar had vergeleken moeten worden met vergelijkbare instellingen, in dezelfde periode, in het buitenland, van verschillende denominaties en ideologieën), zullen de conclusies ("Hoe dit alles zich heeft kunnen ontwikkelen") geen wetenschappelijke basis hebben. En dus nutteloos zijn, hooguit bruikbaar om de RK Kerk in Nederland blijvend te verbinden met sexueel misbruik.
We citeren uit "Why Historians Ought to Count" van Rodney Stark (hoofdstuk 8 van diens Cities of God).
...many of the really significant historical questions demand quantitative answers. They do so because they involve statements of proportion: they turn on words such as none, few, some, many, most, all along with never, rarely, seldom, often, usually, always, and so on. [...]
It remains a sad fact that many historians still delight in claims that quantification not only is often impossible, but is of no particular value. [...]
In the end, what quantification mainly contributes to historical discussions and disputes is discipline. To work with quantitative data, one must make systematic arguments and draw clear conclusions-no dancing about and having it both ways. The one must deal with concrete evidence for or against. Of course, even when historians are careful to consult data, they will still sometimes get it wrong. But nearly as often. An that leads to the fundamental insight that prompted this entire project: when it comes to proportional statements, the opinions of those who wouldn’t count, shouldn’t count.
En tellen heeft zin als je gevonden getallen kunt vergelijken met andere, vergelijkbare getallen. Als je ze niet kunt vergelijken hebben de woorden veel en weinig geen enkele betekenis. En evenmin alle conclusies die de daaraan verbindt.
Even in Ireland, whose image as a craic-loving nation has been replaced by the far-worse idea that it was actually a nation of priest rape, incidents of sexual abuse by priests were fairly rare. The Commission to Inquire into Child Abuse, which was launched by the Irish government in 1999 and delivered its report last year, intensively invited Irish-born people around the world to report on incidents of abuse in Irish religious-educational reform schools, where the majority of clerical abuse is said to have occurred, between the period 1914 to 1999. For that 85-year period, 253 claims of sexual abuse were made by males and 128 by females. It is important – surely? – to note that these are claims of sexual abuse rather than proven incidents, since the vast majority of them did not go to trial (artikel van Brendan O'Neill van 29 maart 2010).
De uitslag van het onderzoek zal, dat weten we nu al, "onthutsend" zijn, want er zal blijken dat in de RK Kerk sexueel misbruik van minderjarigen zal zijn voorgekomen. Het beeld van misbruik zal "wetenschappelijk" aan de Kerk geplakt kunnen worden.

Ik ben zeker niet tegen een onderzoek naar sexueel misbruik van minderjarigen en de redenen ervan, ook, met name binnen de Kerk, de Bruid van Christus. En daarbij mag niets gecensureerd worden (machtsstructuren, celibaat, geloofsafval enz.) Maar dat moet dan wel echt wetenschappelijk zijn: dus vergeleken met andere, vergelijkbare instanties in dezelfde perioden, waarbij steeds één parameter wijzigt (alles vergelijkbaar, behalve het celibaat; alles vergelijkbaar, behalve de denominatie; enzovoorts).
Zo niet, dan lijkt het onderzoek me bij voorbaat zinloos; een zoveelste instrument om de Kerk eenzijdig in een kwaad daglicht te stellen.

En wie gaat daarvoor betalen?

Zie ook RK sexueel misbruik en de artikelen waar Met Galdalf tegen de georkestreerde wanhoop naar verwijst.

vrijdag 7 mei 2010

www.thepapalvisit.org.uk

Van donderdag 16 tot zondag 19 september bezoekt paus Benedictus XVI Engeland en Schotland. Het is het eerste staatsbezoek van een paus aan Engeland. De eerste paus die Engeland bezocht was Johannes Paulus II, in 1982, met een pastoraal bezoek.

Het pausbezoek heeft als motto Cor ad cor loquitur - heart speaks unto heart, het kardinaalsmotto van de grote Engelse denker en theoloog, de "gids in het post-seculiere labyrint" John Henry Newman.
The Holy Father will fly to Scotland where he will be received at the Palace of Holyroodhouse by Her Majesty The Queen. He will also celebrate a public Mass in Glasgow [17.9]. In England, amongst other things, His Holiness will make a speech to British civil society at Westminster Hall, meet with the leaders of other Christian traditions, take part in a service of Evening Prayer with the Archbishop of Canterbury, lead a prayer vigil [18.9] and beatify the nineteenth century theologian and educationalist Cardinal John Henry Newman [19.9].
Hier de officiële website van het pausbezoek.

Goedkope tickets vanuit Eindhoven naar Londen en vanuit Weeze (bij Goch in Duitsland) naar Engeland en Schotland zijn hier te vinden :)

Sophie Scholl - Die letzten Tage

Vanavond om 23.55 op Nederland 2, film over de Duitse studentenverzetsgroep Die Weiße Rose.

donderdag 6 mei 2010

In persona Christi Capitis: munus sanctificandi

Tijdens de algemene audiëntie van gisteren nam Benedictus de draad op van die van 14 april, de begonnen uiteenzetting over de drie munera van de priester. Hier de werkvertaling van Zenit:
Today, in this catechesis, I would like to return to the specific tasks of priests, which, according to tradition, are essentially three: to teach, to sanctify, to govern. In one of the preceding catecheses I spoke about the first of these three missions: teaching, the proclamation of the truth, the proclamation of the God revealed in Christ or, in other words, the prophetic task of putting man in contact with the truth, of helping him to know the essential of his life, of reality itself.
Today I would like to reflect briefly with you on the second task the priest has, that of sanctifying men, above all through the sacraments and the worship of the Church. Here first of all we must ask ourselves: what does the word "saint" mean? The answer is: "Saint" is the specific quality of God's being, that is, absolute truth, goodness, love, beauty - pure light. Hence, to sanctify a person means to put him in contact with God, with his being light, truth, pure love. It is obvious that this contact transforms the person. In ancient times there was this firm conviction: No one can see God without dying right away. The force of truth and light is too great! If man touches this absolute current, he does not survive. Moreover, there was also this conviction: Without a minimum contact with God, man cannot live. Truth, goodness, love are fundamental conditions of his being. The question is: How can man find this contact with God, which is fundamental, without dying, overwhelmed by the grandeur of the divine being? The faith of the Church tells us that God himself creates this contact, which transforms us little by little into true images of God.
Thus we return again to the task of the priest to "sanctify." No man on his own, by his own strength, can put another in contact with God. An essential part of the grace of priesthood is the gift, the task to create this contact. This is done in the proclamation of the Word of God, in which He comes to meet us. It is done in a particularly profound way in the sacraments. Immersion in the Paschal Mystery of the death and resurrection of Christ happens in baptism, is reinforced in confirmation and in reconciliation, is nourished in the Eucharist, the sacrament that builds the Church as People of God, Body of Christ, Temple of the Holy Spirit.
Hence, it is Christ himself who makes us saints, namely, who attracts us to the sphere of God. But as an act of his infinite mercy he calls some to "be" with him (cf. Mark 3:14) and to be converted, through the sacrament of Holy Orders, despite human poverty, into participants in his own priesthood, ministers of this sanctification, dispensers of his mysteries, "bridges" of the encounter with him, of his mediation between God and men and between men and God (cf. po, 5).
In the last decades there have been tendencies oriented to having the dimension of proclamation prevail in the identity and mission of the priest, separating it from that of sanctification: It has often been affirmed that it would be necessary to surmount a merely sacramental ministry. But, is it possible to genuinely exercise the priestly ministry "surmounting" the sacramental ministry? What does it mean exactly for priests to evangelize, in what does the so-called primacy of proclamation consist?
As the Gospels state, Jesus affirms that the proclamation of the Kingdom of God is the objective of his mission; this proclamation, however, is not only a "speech," but includes, at the same time, his very action; the signs, the miracles that Jesus does indicate that the Kingdom comes as a present reality and that it coincides in the end with his very person, with the gift of himself, as we have heard today in the reading of the Gospel. And the same is true for the ordained minister: he, the priest, represents Christ, the One sent by the Father, he continues his mission, through the "word" and the "sacrament," in this totality of body and soul, of sign and word. In a letter to Bishop Honoratus of Thiabe, St. Augustine says, referring to priests: "The servants of Christ, the ministers of his word and of his sacrament must, therefore, do what he commanded or permitted" (Epist. 228,2). It is necessary to reflect if in some cases this undervaluing of the faithful exercise of the munus sanctificandi did not represent, perhaps, a weakening of the faith itself in the salvific efficacy of the sacraments and, in short, in the present action of Christ and of his Spirit, through the Church, in the world.

Who, therefore, saves the world and man? The only answer we can give is: Jesus of Nazareth, Lord and Christ, crucified and resurrected. And where is the mystery realized of the death and resurrection of Christ, which brings salvation? In the action of Christ through the Church, in particular in the sacrament of reconciliation, in which from the death of sin one returns to the new life, and in every other sacramental act of sanctification (cf. PO, 5). Hence, it is important to promote a suitable catechesis to help the faithful to understand the value of the sacraments, but it is also necessary, following the example of the Holy Curé d'Ars, to be available, generous and attentive in giving the faithful the treasure of grace that God has placed in our hands, and of which we are not the "owners," but custodians and administrators. Above all in this our time in which, on one hand, it seems that faith is weakening and, on the other, that a profound need and widespread search of spirituality is emerging, it is necessary that every priest remember that in his mission, the missionary proclamation, worship and the sacraments are never separated, and that he promote a healthy sacramental ministry to form the People of God and to help them live the liturgy, the worship of the Church, the sacraments in fullness as free gifts of God, free and effective acts of his saving action.
As I reminded in the Holy Chrism Mass of this year: "At the centre of the Church’s worship is the notion of 'sacrament.' This means that it is not primarily we who act, but God comes first to meet us through his action, he looks upon us and he leads us to himself. (...) God touches us through material things (...) that he takes up into his service, making them instruments of the encounter between us and himself". The truth according to which in the sacrament "it is not we men who do something" also affects, and must affect, the priestly awareness: Every presbyter knows well that he is a necessary instrument of the salvific action of God, but always as an instrument. This awareness must make one humble and generous in the administration of the sacraments, in respect of the canonical norms, but also in the profound conviction that one's mission is that of making all men, united to Christ, able to offer themselves to God as a living and holy host agreeable to him (cf. Romans 12:1).
Exemplary, on the primacy of the munus sanctificandi and of the correct interpretation of sacramental ministry, continues to be St. John Mary Vianney, who, one day, before a man who said he had no faith and wanted to debate with him, the parish priest answered: "O, my friend, you conduct yourself very poorly, I don't know how to reason ... but if you are in need of some consolation, place yourself there (his finger indicated the immobile footstool of the confessional) and believe me, that many others placed themselves on it before you, and they did not have to regret it" (cf. Monnin A., Il Curato d'Ars. Vita di Gian Battista Maria Vianney, vol. i, Turin, 1870, pp. 163-164).
Dear priests, live the liturgy and worship with joy and love: It is action that the Risen One carries out through the power of the Holy Spirit in us, with us and for us. I would like to renew the invitation I recently made to "return to the confessional as a place in which to celebrate the Sacrament of Reconciliation, but also as a place in which 'to dwell' more often, so that the faithful may find compassion, advice and comfort, feel that they are loved and understood by God and experience the presence of Divine Mercy beside the Real Presence in the Eucharist" (Address to the Apostolic Penitentiary, March 11, 2010). And I would also like to invite each priest to celebrate and live the Eucharist with intensity, which is at the heart of the task of sanctifying; it is Jesus who wants to be with us, to live in us, to give himself to us, to show us the infinite mercy and tenderness of God; it is the only Sacrifice of love of Christ that makes itself present, is realized among us and reaches the throne of grace, the presence of God, embraces humanity and unites us to him (cf. Address to the Clergy of Rome, February 18, 2010).
And the priest is called to be minister of this great Mystery, in the sacrament and in life. If "the great ecclesial tradition has rightly separated sacramental efficacy from the concrete existential situation of the individual priest and so the legitimate expectations of the faithful are appropriately safeguarded," this does not take anything away from the "necessary, indeed indispensable, aspiration to moral perfection that must dwell in every authentically priestly heart": There is also an example of faith and witness of sanctity that the People of God rightly expect from their pastors (cf. Benedict XVI, Address to the Plenary Assembly of the Congregation for the Clergy, March 16, 2009). And it is in the celebration of the Holy Mysteries where the priest finds the root of his sanctification (cf. po, 12-13).
Dear friends, be conscious of the great gift that priests are for the Church and for the world; through their ministry, the Lord continues saving men, making himself present, sanctifying. Know how to thank God, and above all be close to your priests with your prayer and support, especially in difficulties, so that they will be increasingly shepherds according to the heart of God. Thank you.

Stemmen voor het algemeen welzijn

B.g.v. de aanstaande verkiezingen in Groot-Brittannië hebben vrienden van Gemeenschap en Bevrijding (Communion and Liberation) aldaar een pamflet doen uitgaan, dat ook ons in onze Nederlandse situatie kan helpen.

woensdag 5 mei 2010

De NYT als tegenkerk

Uit onverdachte hoek: Kenneth L. Woodward, veertig jaar lang medewerker religie van het bepaald niet pro-katholieke noch politiek conservatieve Newsweek, analyseert uitgebreid wat de New York Times bezielt om koste wat het kost Kerk en paus blijvend te willen verbinden met sexueel misbruik. Lees The Church of the "Times".

De antitotalitaire centrist kardinaal Siri

De Osservatore bespreekt vandaag een nieuwe biografie over de Genovaanse kardinaal Siri (+ 1993). Interessant voor wie de geschiedenis van de katholieke Kerk in de afgelopen zestig jaar beter wil begrijpen.