donderdag 16 februari 2012

@anton_de_wit over 1 Pt 3,15

Voor wie het gemist had. Uit een artikel van Anton de Wit in het KN van afgelopen week (papieren editie, nr. 6, p. 17):
De apologetiek – ofwel geloofsverdediging, geloofsverantwoording – [lijkt] de laatste vijftig jaar wat in het slop te zijn geraakt. De deskundigen – intellectuelen, theologen en andere notoir saaie gasten op feestjes – lieten het massaal afweten. Zij voelden zich niet langer geroepen om het geloof te verantwoorden; veel salonfähiger was het om het te willen veranderen. Apologetiek kreeg de bijklank van zich willen ingraven, zich afzetten tegen de wereld en andere geloven.
Dat is even jammer als onterecht, want goede apologetiek zoekt zich juist te verhouden tot de wereld en de andere levensbeschouwelijke tradities; zij verantwoordt zich redelijk, antwoordt op redelijke vragen en stelt even redelijke wedervragen. Goede apologetiek bepaalt nauwkeurig haar positie en durft zich daarbij te onderscheiden – niet om zichzelf in te graven, maar juist om te voorkomen dat zij door anderen begraven wordt; bedolven onder vele kilo’s misvattingen, vooroordelen en onterechte aantijgingen.
Om een prominente apologeet te parafraseren: door de vijandige sfeer van tegenwoordig lijkt het soms alsof de katholieke geloofsverdediger vooral zichzelf moet verdedigen. Misschien is het een troost, misschien is het juist extra deprimerend, maar de bedoelde apologeet merkte dat al op in 1927. Zijn naam was Ronald Knox (1888-1957), een Britse schrijver en priester. Hij signaleerde, onder meer in zijn fijnzinnige geloofsverdediging The Belief of Catholics, bedreigingen die ons anno nu bekend in de oren zullen klinken: pseudo-wetenschappelijke aanvallen op het geloof door intellectuelen, religieuze desinteresse bij het merendeel van de bevolking, terugloop van kerkbezoek en roepingen enzovoort.
Toch leiden dergelijke weinig hoopgevende analyses bij Knox niet tot een defensieve houding. Wie zijn werk leest, valt een soort kalme klaarheid op; hij legt zonder omwegen of stemverheffen zijn geloofsposities uit; zelfverzekerd, geestig en verstaanbaar. In zijn werk is geen scherpslijper in een schuttersputje aan het woord, geen kat in het nauw, geen eenzame vechtersbaas die zijn vele belagers van zich afhoudt met wild armgezwaai tot zijn rug een muur of nooduitgang vindt.
Goede apologetiek is offensief noch defensief. Wie weet waar hij staat, hoeft geen stap naar voren of naar achteren te zetten omdat zijn plek betwist wordt. Hij is onverzettelijk, niet omdat hij star is, maar juist omdat hij soepel is – de onverzettelijkheid van Jezus Christus zelf. Apologetiek, zo laten scherpzinnige auteurs als Ronald Knox zien, vergt in de eerste plaats openheid. Een open vizier, een open geest. Intellectuele openheid, nieuwsgierigheid, welwillendheid. Een apologeet is niet schuw of wereldvreemd, en zeker niet wereldvijandig. Hij spreekt en verstaat de taal van de wereld, maar drukt in die taal waarheden uit die het tijdelijke en plaatselijke ontstijgen.
Wat? Ga jij écht nog naar die vreselijke Kerk? Nou en of, en ik kan je precies vertellen waarom.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen