donderdag 28 juni 2012

De slaaf van wie?

"Het CDA wil alle uiterlijk vertoon van religie door politieagenten en rechters verbieden", meldt het Nederlands Dagblad. "Werknemers van de politie en de rechterlijke macht mogen van de partij bijvoorbeeld geen keppeltje, tulband of hoofddoek dragen, noch een kruisje om de hals. Het partijbestuur wil dit voorstel opnemen in het verkiezingsprogramma. De CDA-leden beslissen daar komend weekeinde over."

Een alinea uit Barabbas van Pär Lagerkvist:
[De Romeinse slaaf Sahak] was zo door geluk vervuld door wat hij [beneden in de mijn van zijn medeslaaf Barabbas] had gehoord dat hij begreep nu de ander ook zijn geheim te moeten toevertrouwen. Hij mocht het nu niet langer voor zich houden. Hij keek voorzichtig om zich heen om er zeker van te zijn dat er niemand aankwam, en zei toen fluisterend tegen Barabbas dat hij hem iets wilde laten zien. Hij nam hem mee naar de olielamp die op een kleine verhoging stond te branden, en bij het flakkerende schijnsel liet hij hem toen het slavenplaatje zien dat hij om de hals droeg. Alle slaven droegen zo'n plaatje, waarin het eigendomsteken van hun meester gestempeld stond. Bij de slaven in de mijn was dat het stempel van de Romeinse staat, omdat zij staatseigendom waren. Maar bij dat van Sahak waren op de achterkant enkele geheimzinnige tekens te onderscheiden die geen van hen beiden kon ontcijferen, maar waarvan Sahak verklaarde dat het de naam van de gekruisigde, van de Verlosser, van Gods eigen zoon was. Barabbas keek verwonderd naar de eigenaardige inkervingen die de indruk maakten een magische betekenis te hebben, maar Sahak zei fluisterend dat ze betekenden dat hij Gods zoon toebehoorde, dat hij zijn slaaf was. En hij liet Barabbas het slavenplaatje zelf vasthouden. [...]
Nu wist Barabbas, zo eindigde hij, hem met zijn trouwhartige ogen aankijken, dat hij christen was en Gods eigen slaaf.
[...]
De procurator wendde zich [...] tot Sahak en Barabbas en begon hen allerlei dingen te vragen: waar ze oorspronkelijk vandaan kwamen, waarvoor ze gestraft waren en hoe ze weer uit de mijn waren gekomen, wie daartoe bevel had gegeven. Hij sprak de hele tijd heel vriendelijk. Daarna stond hij op en liep een poosje het vertrek op en neer, waarbij ze zich verwonderden over zijn werkelijk rijzige gestalte. Hij kwam op Sahak toe en nam diens slavenplaatje in de hand, bekeek het eigendomsmerk en vroeg of Sahak wist wat dat betekende. Sahak antwoordde dat het het eigendomsteken van de Romeinse staat was. De procurator knikte en zei dat dat juist was en dus betekende dat Sahak aan de staat toebehoorde. Toen keerde hij het plaatje om en bekeek met duidelijk zichtbare belangstelling, echter zonder enige verbazing te tonen, de geheimzinnige inscriptie op de achterkant. Christos Iesus... las hij, en zowel Sahak als Barabbas was hoogst verwonderd dat hij de tekens kon begrijpen en Gods heilige naam lezen.
'Wie is dat?' vroeg hij. 'Dat is mijn God,' gaf Sahak met enigszins bevende stem ten antwoord.
'Ach zo. Ik kan mij niet herinneren die naam ooit eerder te hebben gehoord. Maar er zijn ook zoveel goden, dat men onmogelijk al hun namen kan kennen. Is het de naam van de god uit je geboortestreekt?'
'Nee,' antwoordde Sahak. 'Het is de God van alle mensen.'
'Van alle mensen? Wat zeg je? Waarachtig niet slecht. En ik heb zelfs nog nooit van hem gehoord. Ik moet zeggen dat hij zijn roem dan wel goed geheim houdt.'
'Ja,' zei Sahak.
'De god van alle mensen. Dan moet hij wel zeer machtig zijn. Waar berust die macht op?'
'Op liefde.'
'Liefde?... Och ja, waarom niet. Daar wil ik me ook niet mee bemoeien; wat dat betreft mag je geloven wat je wilt. Maar vertel me eens waarom je zijn naam op je slavenplaatje draagt?'
'Omdat ik hem toebehoor,' antwoordde Sahak met weer enigszins bevende stem.
'Zo? Behoor je hem toe? Hoe is dat mogelijk? Behoor jij dan niet aan de staat, zoals dit eigendomsteken aangeeft? Ben jij dan geen staatsslaaf?'
Sahak gaf geen antwoord. Hij stond maar strak naar de grond te kijken.
Tenslotte zei de Romein... maar hij zei het geenszins onvriendelijk: 'Daar moet je mij antwoord op geven. We moeten daaromtrent zekerheid hebben, begrepen? Behoor jij aan de staat? Geef mij nu antwoord.'
'Ik behoor aan de Heer, mijn God,' zei Sahak zonder zijn ogen op te slaan.
De procurator stond aandachtig naar hem te kijken. Toen legde hij zijn hand onder Sahaks kin, tilde diens hoofd op en keek in diens door het werken bij de smeltovens verschroeide gelaat. Hij zei niets en na een poosje, toen hij blijkbaar gezien had wat hij wilde, liet hij Sahaks kin los. [...]
'Begrijp je goed wat die woorden van jou betekenen? Dat jij je daarmee openlijk verzet tegen caesar? Weet jij niet dat hij ook een god is en dat jij aan hem toebehoort, dat jij zijn eigendomsteken op je slavenplaatje draagt? En jij beweert dat je aan een andere, een onbekende god behoort, en jij hebt diens naam in je plaatje gegrift om aan te geven dat jij hem en niet caesar toebehoort. Zo is het toch?'
'Ja heer,' antwoordde Sahak met bevende stem, hoewel die niet meer zo erg trilde als tevoren.
'En daar blijf je bij?'
'Ja.'
'Maar begrijp je dan niet waaraan je je daardoor blootstelt?'
'Jawel, dat begrijp ik wel.' [...]
'Jij bent even dwaas als je god', voegde [de procurator] er half in zichzelf aan toe.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen