maandag 27 mei 2013

Geweldig gedocumenteerd, tegendraads en vrolijk

Uit de recensie van Aleid Truijens van het nieuwe boek van opvoedingshistorica Angela Scott Jongens zijn 't in de Volkskrant van 18 mei:
Boys will be boys. Lawaaiig, beweeglijk, druk. Overmoedig, opschepperig en brutaal. Met geen stok aan het huiswerk te krijgen, blind voor gevaar. Een plaag voor de leraar, een kwelling voor bezorgde moeders. [...] Nu, aan het begin van de 21ste eeuw, is de jongen een probleemgeval. Ouders, leerkrachten en pedagogen weten niet meer wat ze aan moeten met jongensgedrag. Het probleem met de jongen is dat hij zich, alle inspanningen ten spijt, maar niet wenst te gedragen als een meisje: coöperatief, invoelend en leergierig. Het meisje is de norm geworden, de jongen de hinderlijke afwijking.[...]
Een van de stellingen bij Crotts proefschrift luidde: 'Het diagnosticeren van drukke jongens als adhd'er kan gezien worden als een uitwas van het burgerlijk beschavingsoffensief.' Het boefje werd een patiënt. Zijn kwajongensgedrag diende te worden beteugeld. Eerst was hij ondeugend, toen onhandelbaar, en vervolgens pathologisch. Door het slikken van ritalinnetjes werd hij een stuk beter te verdragen.
Nu is er een publieksversie van Crotts proefschrift, met de al even rake titel Jongens zijn 't - Van Pietje Bell tot probleemgeval. [...] Crott [...] schrijft over haar ervaringen met haar leerlingen en vooral die met haar twee zonen, échte jongens, die zich niet in een keurslijf lieten persen en daardoor een moeizame onderwijscarrière hadden.
Aan het begin van de vorige eeuw kon de jongen nog een potje breken. [...] De jongen was ook toen al druk, lui en tot rottigheid geneigd, maar hem werd veel vergeven. Als hij was uitgeraasd, zou hij vanzelf een verantwoordelijke kostwinner worden. Ook zonder diploma.
Na de invoering van de Mammoetwet, in 1968, groeide het belang van diploma's. Bovendien kregen jongens op school concurrentie van meisjes, die nog niet zo dom bleken. Sterker, meisjes waren geknipt voor school, en de school voor hen. Tegen het eind van de vorige eeuw begonnen de meisjes de jongens te overtreffen. Ze raakten in de meerderheid op het vwo, bestormden het hoger onderwijs en veroverden eerbiedwaardige mannenberoepen als onderwijzer, arts en rechter. Jongens vormen nu de meerderheid op de laagste typen vmbo, in het speciaal onderwijs, en in ongeschoolde beroepen.
De anders zo competitief ingestelde jongens werden bepaald niet uitgedaagd door die overijverige meisjes. Hun gedrag bevestigde vooral dat school iets is voor braveriken, voor slijmerds en mietjes. Omdat de toekomstige rol van kostwinner en gezinshoofd hem werd ontnomen, raakte de jongen zijn gevoel van eigenwaarde, zijn doel in het leven, kwijt. En omdat machogedrag op school werd afgekeurd - en bestraft door de psycholoog met een label als adhd - moesten jongens hun manlijkheid in geperverteerde vorm uitleven op straat, met gangstergedrag en geschreeuw om 'respect!'.
Intussen werd, door de invoering van het 'studiehuis' en het 'nieuwe leren', met nadruk op zelfstandig leren, school steeds vervelender voor jongens. Puberjongens hebben sturing nodig, en duidelijke eisen. Werkstukjes maken en 'reflecteren' op hun gedrag is niet hun fort. Helaas stond er nog maar zelden een meester voor de klas. Zo'n meester die jongens leuk vinden, die wel in is voor een geintje, en wat herrie kan verdragen. Mannen gingen het onderwijs mijden.
Crott wijst niet rechtstreeks de hoofdschuldigen aan van de val van de jongen. Wel waren er in haar ogen twee ontwikkelingen in de 20ste eeuw die in het nadeel van jongens uitpakten: de vrouwenemancipatie en de diplomamaatschappij. Hoewel veel jongens een uitgesproken hekel hebben aan school - een gevangenis, ver van het echte leven - moesten ze er steeds meer jaren naar toe. Want zonder diploma word je 'niks'.
Moeders gingen werken en gaven thuis minder aandacht aan hun jongens. In de kinderopvang, waar vooral vrouwen opereren, wordt het jongetje al vroeg gekneed tot het gewenste model; avontuurlijk en ondernemend gedrag wordt afgekeurd. Op de basisschool gaat dat al net zo. Het aantal echtscheidingen nam toe, waardoor jongens steeds vaker de sturende, maar ook begripvolle en minder bangelijke inbreng van hun vader misten. Van vrouwen kun je niet zo goed leren hoe je een man wordt.
Dit alles mocht bovendien niet hardop worden gezegd, want de heersende opinie schreef voor dat jongens en meisjes - en vaders en moeders - gelijk waren, en dat seksespecifiek gedrag kon en moest worden afgeleerd. Jongens hadden meer af te leren dan meisjes. Hun agressie bijvoorbeeld. Pas de laatste jaren wint de gedachte terrein dat jongens en meisjes wel degelijk 'van nature' verschillen, en dat voor beiden een andere aanpak nodig is.
Ook Crott neigt naar die nature-gedachte. Jongens zijn 't, en dat rammen we er niet zomaar uit. Dat moeten we ook niet willen. Zij hoopt op meer begrip voor de jongensziel en op meer waardering voor mooie 'manlijke' eigenschappen als moed, enthousiasme en daadkracht. Láát die jongens nou even uitrazen en hun eigen mogelijkheden en beperkingen ontdekken. Maar leg wel grenzen op, daar hebben ze behoefte aan. Bestempel ze niet tot losers met een label. Dwing ze niet eindeloos tot schoolgang, als ze daar beroerd van worden.
Crott voelt wel iets voor naar sekse gescheiden onderwijs, waar jongens niet worden afgeleid door mooie meiden, en waar ze minder stoer hoeven te doen. Ook pleit ze voor de herinvoering van de ambachtsschool, waar alles draait om de praktijk. Op zo'n school, blijkt uit haar onderzoek, hebben jongens zich altijd thuis gevoeld. Ook op niet-intellectuele arbeid mag je trots zijn, en via de praktijk kun je tot grote hoogte stijgen. Daar zit zeker wat in. Waarom iemand die walgt van school aan zijn schoolbank vastketenen? Waarom mag iemand die liever dingen maakt dan dingen leert, zijn hart niet volgen? [...]
Dat Jongens zijn 't af en toe uitnodigt tot tegensputteren, maakt het betoog niet minder waardevol. Elk interessant pleidooi doet dat. Crott schreef een geweldig gedocumenteerd, tegendraads en vrolijk boek, dat op alle pabo's en lerarenopleidingen tot de lesstof mag behoren.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen