zaterdag 6 februari 2010

Eed van Hippocrates (5e eeuw voor Christus)

Gisteren zei de paus nog eens, dat "steun aan euthanasie het hart zelf van het christelijk begrip van de waardigheid van het menselijk leven treft".
Vanzelfsprekend, want fundament van het christendom is dat het leven van de mens - elk menselijk leven, in elk stadium - positief is, een zin heeft, gewild is, een geschenk is.
Maar de intuïtie van de zinvolheid - of 'heiligheid', onaantastbaarheid - van het menselijk leven in al zijn stadia en omstandigheden, is niet typisch christelijk of katholiek, zoals tegenwoordig vaak gedacht wordt ("de Kerk is tegen euthanasie"). Zoals vaak, wordt met Christus de intuïtie een zekerheid. Maar al eeuwen voor Christus formuleerde de grote arts Hippocrates een "puur heidense" Eed, die sindsdien, tot slechts enkele jaren geleden, alle artsen van het Westen uitspraken voor ze hun medische beroep gingen uitoefenen.
(Ik zweer bij Apollo, de Genezer, bij Asclepius, Hygieia en Panaceia, en bij alle goden en godinnen, die ik tot getuigen roep, dat ik deze eed en deze verklaring, naar beste weten en vermogen, zal nakomen.)

Ik zal hem, die deze kunst aan mij heeft onderwezen, beschouwen als een vader, hem laten delen in mijn levensonderhoud, en, als hij in schulden of nood zou geraken, hem op zijn verzoek steun verlenen. Zijn zonen zal ik gelijk stellen met mijn eigen broers; ik zal hun, als zij de wens daartoe te kennen geven, deze kunst leren zonder vergoeding en zonder schuldbewijs; tot mijn voorschriften, voordrachten en heel mijn verdere onderricht zal ik toegang geven aan mijn zonen, aan die van mijn leermeester en aan die leerlingen die zich bij mij hebben ingeschreven en gehouden zijn aan de medische wet; maar aan niemand anders.

Ik zal diëetregels naar beste weten en vermogen aanwenden tot heil der zieken, nooit tot hun verderf of schade.

Ik zal niemand een dodelijk geneesmiddel toedienen, ook niet aan iemand die dit van mij vraagt; zelfs een aanwijzing in die richting zal ik niet verstrekken.

Ik zal nooit aan een vrouw een middel toedienen ter vernietiging van ontkiemend leven.

Ik zal mijn leven en mijn kunst steeds zuiver en rein bewaren.

Ik zal geen operaties uitvoeren, zelfs niet bij lijders aan blaasstenen, maar ik zal dat werk aan deskundigen overlaten.

In welk huis ik ook binnentreed, ik zal er alleen binnengaan om de zieken te helpen; nooit zal ik er willens en wetens enig onrecht doen, in het bijzonder mij nooit schuldig maken aan sexuele omgang met man of vrouw, vrije of slaaf.

Ik zal, wat ik bij de uitoefening van mijn beroep ook zal horen of zien, of ook daarbuiten over het leven van mensen te weten kom aan dingen, die nooit bekend mogen worden, in stilzwijgen bewaren, en het beginsel hooghouden, dat dingen die mij zó bekend worden vallen onder de plicht van geheimhouding.

Als ik deze eed trouw in acht neem en niet ontwijd, moge ik dan in mijn leven en in mijn kunst gezegend worden, en aanzien genieten bij alle mensen, te allen tijde, - maar als ik hem schend en meinedig word, dan wil ik het tegendeel ondergaan.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen