vrijdag 10 juni 2011

Doel van en criteria voor liturgische muziek

Uit de brief van B16 aan het Pauselijk Instituut voor Gewijde muziek d.d. 6 mei (in de vertaling van rkdocumenten.nl):
Om duidelijk de identiteit en de missie van het Pauselijk Instituut voor Sacrale Muziek te begrijpen is het goed om eraan te herinneren dat de Heilige Paus Pius X het oprichtte, acht jaar na het uitgeven van het Motu Proprio Tra le sollicitudini - Inter sollicitudines, van 22 november 1903, waarmee hij een diepgaande hervorming op het gebied van de gewijde muziek uitvoerde, en terugkeerde naar de grootse traditie van de Kerk, tegen de invloeden van wereldse muziek, in het bijzonder de operamuziek. Deze meesterlijke interventie had, voor haar verwerkelijking in de Wereldkerk, een studie- en leercentrum nodig dat op gelovige en kundige wijze de lijnen kon doorgeven van de Opperste Herder, trouw aan de authentieke en glorievolle traditie die teruggaat op sint Gregorius de Grote. Daarom heeft dit instituut in de loop van honderd jaar leerstellige en pastorale inhoud van de pauselijke documenten, evenals die van het Tweede Vaticaans Concilie, over de gewijde muziek overgenomen, uitgelegd en doorgegeven, zodat deze het werk van componisten, dirigenten, liturgisten, musici en alle vormgevers op dit gebied kan verlichten en leiden.
In dit verband wil ik aandacht besteden aan een fundamenteel onderdeel dat mij bijzonder aan het hart gaat: hoe de essentiële continuïteit van de leer over de gewijde muziek in de liturgie is opgevat van Sint Pius X tot vandaag, ondanks de natuurlijke evolutie. In het bijzonder hebben de Pausen Paulus VI en Johannes Paulus II, in het licht van de conciliaire constitutie Sacrosanctum Concilium, het doel van de gewijde muziek willen bevestigen, namelijk “de verheerlijking van God en de heiliging van de gelovigen”, en de fundamentele criteria van de Traditie, die ik hier kort herhaal: de gevoeligheid voor gebed, waardigheid en schoonheid; het trouw volgen van de teksten en de liturgische handelingen; het betrekken van de gemeenschap, en, als laatste, de gepaste aanpassingen aan de plaatselijke cultuur, daarbij tegelijk de universaliteit van de taal bewarend; het primaat van de Gregoriaanse zang als hoogste voorbeeld van gewijde muziek, en de wijze waardering van andere uitdrukkingsvormen die deel zijn van het historisch-liturgische erfgoed van de Kerk, in het bijzonder maar niet alleen de polyfonie; het belang van een schola cantorum, in het bijzonder in kathedrale kerken. Dit zijn belangrijke criteria die we zorgvuldig moeten beschouwen, ook vandaag de dag.
Soms werden deze elementen, die te vinden zijn in Sacrosanctum Concilium, evenals het grote kerkelijke erfgoed van de gewijde muziek of de universaliteit karakteristiek aan de Gregoriaanse zang, beschouwd als uitdrukkingen van een verouderd begrip dat moest worden overwonnen en verwaarloosd, omdat het de vrijheid en de creativiteit van het individu en de gemeenschap beperkte. Maar we moeten onszelf altijd weer afvragen: Wie is het werkelijke onderwerp van de liturgie? Het antwoord is simpel: de Kerk. Niet het individu of de groep die de liturgie viert. Het is op de eerste plaats de handeling van God door de Kerk met haar geschiedenis, haar rijke traditie en haar creativiteit. De liturgie, en bijgevolg de gewijde muziek, “bestaat vanuit een juiste en constante relatie tussen gezonde traditio en gerechtvaardigde ontwikkeling“, en houdt levend dat deze twee concepten – die de concilievaders duidelijk onderstreepten – elkaar wederzijds integreren omdat “traditie een levende werkelijkheid is die om die reden in zichzelf het principe van ontwikkeling, van vooruitgang, bevat”.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen