dinsdag 3 januari 2012

"De Kerk is een leven dat, langzamerhand, zich steeds dieper bewust wordt van zichzelf"

Niet alles in de Kerk is dogma

Het zou natuurlijk verkeerd zijn [...] het leven van de Kerk, door het gezag geleid, te interpreteren alsof alles door het bestaan van de dogma’s geconditioneerd was. Niet alles is dogma; op de eerste plaats omdat [zo'n] plechtige explicitatie [...] niet altijd noodzakelijk is; vervolgens omdat nog lang niet alles op een betrouwbare en duidelijke manier in het bewustzijn van het christenvolk te voorschijn is gekomen: anders zou de geschiedenis geen zin meer hebben.
Het kerkelijke gezag neemt dus maar zelden zijn toevlucht tot de afkondiging van een dogma om haar zending van verkondiging van de waarheid te vervullen. Sinds 1850 werden er drie dogma’s gedefinieerd: de Onbevlekte Ontvangenis in 1854, de pauselijke onfeilbaarheid in 1870 en de Tenhemelopneming van Maria in 1950.
Het is wellicht nodig nog wat langer stil te staan bij deze kwestie om de educatieve functie die eigen is aan de Kerk recht te doen. Want de afkondiging van een dogma heeft in de eerste plaats een pedagogische functie. Waarom kondigt de Kerk op een gegeven moment een dogma af, in plaats van het in het bewustzijn van het Godsvolk te laten rusten? Omdat het dogma in kwestie noodzakelijk blijkt te zijn in het kader van de zo belangrijke opvoeding van de mens ten aanzien van Jezus Christus, die aan de Kerk is toevertrouwd.
De dogmatische explicitatie van een waarheid kan bijzonder nuttig worden voor de christelijke gemeenschap als, bijvoorbeeld, de dominante cultuur die waarheid met behulp van uiterst gewelddadige middelen loochent.
Laten we een van de meest recente dogma’s nemen: dat van de pauselijke onfeilbaarheid. We herinneren in de eerste plaats aan het feit dat, volgens de documenten, de Kerk zich al enkele jaren na Jezus’ dood in laatste instantie op de paus beriep.
Waarin bestaat deze onfeilbaarheid? Het is in de eerste plaats een kenmerk dat voortvloeit uit het feit dat God Zichzelf meedeelt doorheen de Kerk. Het gaat dus niet om een vermogen van de mens, maar om een voorrecht van Gods macht die Zich manifesteert door aan heel de Kerk, geleid door de opvolger van Petrus, zijn Geest te garanderen.
Het dogma van de pauselijke onfeilbaarheid, deze hoogste specificatie van de bijstand die Jezus aan zijn Kerk beloofde, had, gezien zijn verankering in de geschiedenis van de Kerk, dus evengoed niet kunnen afgekondigd worden. En inderdaad hadden de meeste tegenwerpingen tijdens het conciliaire debat betrekking op de opportuniteit van deze definitie, niet op de inhoud ervan.
Op het einde van het debat werd de constitutie Pastor Aeternus gestemd, die de leer over het oppergezag en de onfeilbaarheid van de paus formuleert. In een maatschappij waarin een rationalistische opvatting van het leven de gangbare mentaliteit was geworden, bevestigde de Kerk op een provocerende en plechtige wijze dat de mens niet de enige maatstaf is van de werkelijkheid, dat de band tussen de mens en de waarheid niet uitsluitend door de kleine stappen van zijn verstand heen gaat, maar ook door het kanaal van een gezag dat, met Gods bijstand, de mens naar het heil moet leiden. In dit geval is het dogma, hoewel het voorwerp van langdurige discussies is geweest, dus te danken aan het bestaan van een luidruchtig en totaal contrast met de omringende wereld, een contrast dat een opheldering noodzakelijk heeft gemaakt.
In het licht van deze beknopte toelichting, lijdt het voor mij geen twijfel dat wie het adjectief dogmatisch gebruikt om de Kerk te beschuldigen, de authentieke betekenis van het dogma en zijn samenhang met de opvatting die de Kerk van zichzelf heeft, miskent.
Om het christelijke feit te verstaan, moet men altijd opnieuw naar het leven teruggrijpen. Het woord “dogma” heeft allerminst de dictatoriale betekenis die zoveel commentatoren eraan geven; het betekent eenvoudig de definitieve formulering van een bewustwording aangaande de waarheid, die door de Kerk wordt bewaard. En dit vertoont gelijkenis met de meest gewone levenservaringen. Op de leeftijd van vijf of tien jaar nam ieder van ons al een persoonlijke houding aan ten aanzien van het leven, met betrekking tot bepaalde omstandigheden van het bestaan, een houding die al een weerspiegeling was van onze persoonlijkheid; maar naarmate men ouder wordt, ondergaan bepaalde ideeën expressieve wijzigingen, steeds binnen de ene uitdrukking van een persoonlijkheid. Zo is het ook in de geschiedenis van de Kerk. De fundamentele inhoud van de christelijke gebeurtenis, datgene wat in theologische termen het depositum fidei heet, gedraagt zich in de kerkgeschiedenis precies zoals de inhoud van het menszijn bij een kind. Naarmate de tijd verloopt, onder invloed van de omstandigheden en de uitdaging van de gebeurtenissen, neemt haar zelfbewustzijn toe. Dit geschiedt wanneer het bewustzijn van de kerkgemeenschap, vanuit de zekerheid die geschonken wordt door de instemming met het gezag, over een bepaald aspect van de wezenlijke geloofsinhoud, verklaart: “Ziedaar de definitieve zekerheid!”
We vergeten in feite zo gemakkelijk dat de Kerk een leven is. Het is het leven van Iemand, het mysterie van de persoon van Jezus Christus, die Zich ontwikkelt in de loop van de tijd, in de schoot van het levend organisme van zijn volk. De Kerk is dus een leven dat, langzamerhand, zich steeds dieper bewust wordt van zichzelf.
(Luigi Giussani, Waarom de Kerk, deel 3 ('Hoe de Kerk zichzelf gedefinieerd heeft'), hoofdstuk 3 ('Het goddelijke in de Kerk'), paragraaf 1 ('Hoe de waarheid doorgegeven wordt: gemeenschap, traditie, leergezag'), subparagraaf b ('Het buitengewone leergezag'), sub-subparagraaf 2 ('Niet alles in de Kerk is dogma')

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen