dinsdag 9 april 2013

"Waar staat dit huis?"

Mooi artikel van @bartjanspruyt in het Reformatorisch Dagblad:
In [het verleden] hebben [...] mensen [...] de erfenis van het christelijk geloof door de baren van de [...] tijd heen gedragen en de structuren geschapen waarbinnen dat geloof kon overleven. Wij leven nog altijd, zou je kunnen zeggen, van hun werk.
[...]
In [de] legende [van st. Christoffel] verandert het Grote Huis van Mackay in een klein huis langs een rivier vol wassend water – met de bloeiende palmboom van de belofte van Christus.
Maar de grote vraag is: waar staat dit huis? Is het een innerlijk huis, een bibliotheek, een hervormd lokaal, een kathedraal in Oxford? Misschien wel van alles wat. Het staat voor de gemeenschap van hen die de verschijning van het Kind hebben lief gekregen en uitzien naar de overkant, en ondertussen nog een woord hebben voor deze tijd.
Maar dat huis, waarin het geloof levend bewaard blijft en door de baren van de tijd gedragen wordt (sterker nog: dat die tijd voortdurend blijft bevruchten, al is het soms op kleine schaal), is zichtbaar, en blijft staan (absoluut niet uit eigen kracht, maar omwille van de belofte van Christus). Het kan klein zijn, onopvallend, maar behoeft niet opnieuw geschapen te worden (wèl: telkens opnieuw beleefd!). Het is het huis waarover Petrus spreekt in 1 Pt 2:5. Door Christus gebouwd op de petra van Petrus, en dat de poorten der hel niet zullen overweldigen (Mt 16:18). "Wie u hoort, die hoort Mij" (Lk 10:16). "En ziet, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld" (Mt 28:20).

"Waarom zoekt ge tussen dode woorden het Woord, als Het zich, door mens te worden, zichtbaar heeft gemaakt?" (Bernardus van Clairvaux)
Uit de tegenwoordige crisis zal ook dit keer een Kerk te voorschijn treden, die veel verloren heeft. Ze zal klein worden en in vele opzichten helemaal opnieuw moeten beginnen. Veel gebouwen uit de tijd van de hoogconjunctuur zal ze niet meer kunnen vullen. Met het getal van haar aanhangers zal ze ook veel voorrechten in de maatschappij verliezen. Veel sterker dan tot nu zal ze een gemeenschap zijn op basis van vrijwilligheid, en men zal slechts toetreden krachtens een persoonlijke beslissing. Als kleine gemeenschap zal ze in veel grotere mate afhankelijk zijn van de initiatieven van haar individuele leden. [...] Maar ondanks al deze veranderingen - welke men vermoeden kan - zal de Kerk haar wezenlijke taak opnieuw en met alle beslistheid zien in datgene, wat altijd haar centrum geweest is: het geloof in de drieëne God, in Jezus Christus, de mensgeworden Zoon van God, in de bijstand van de Heilige Geest, die reikt tot het einde der tijden. Ze zal geloof en gebed weer als haar eigenlijke middelpunt erkennen en de sacramenten weer ervaren als Gods-dienst en niet als problemen van liturgische vormgeving.
Het zal een verinnerlijkte Kerk zijn, die niet prat gaat op haar politiek mandaat en net zo min flirt met links als met rechts. Ze zal het zwaar hebben. Want het proces van kristallisatie en zuivering zal ook haar menige goede kracht kosten. Ze zal zichzelf arm maken, een Kerk der kleinen worden. De ontwikkeling zal des te moeilijker zijn, omdat ze zowel dient te waken tegen sektarische bekrompenheid als tegen brutale eigengereidheid. Men kan van tevoren zeggen, dat voor dit alles tijd nodig is. Het proces zal lang en moeizaam zijn. Zo'n lange weg hebben we al een keer meegemaakt, en wel een zeer lange weg. Hij begon met de progressiviteiten aan de vooravond van de Franse revolutie. Ook toen was het zo, dat bisschoppen die spotten met de dogmata en wellicht zelfs lieten doorschemeren, dat ze het bestaan van God volstrekt niet zeker achtten, voor vol werden aangezien. Deze weg eindigt pas met de vernieuwing in de negentiende eeuw. Maar na de beproeving van deze scheuringen zal er een grote kracht stromen uit een verinnerlijkte en vereenvoudigde Kerk. Want de mensen die leven in een wereld, welke van a tot z gepland is, zullen onuitsprekelijk eenzaam zijn. Als God hun totaal ontvallen is, zullen ze ervaren, hoe totaal en verschrikkelijk arm ze zijn. En dan zullen ze de kleine gemeenschap der gelovigen als iets geheel nieuws ontdekken. Als een verwachting, welke hen raakt, als een antwoord, waarnaar ze in het verborgene steeds gevraagd hebben. Het lijkt me wel zeker, dat er voor de Kerk zeer zware tijden aanbreken. Haar eigenlijke crisis is nog amper begonnen. Met dient rekening te houden met enorme schokken. Ik weet echter ook volkomen zeker, wat er op het eind overblijft: niet de Kerk van de politieke cultus [...], maar de Kerk van het geloof. Wel zal ze nooit meer in die mate de maatschappij beheersen als tot voor kort het geval was. Maar ze zal opnieuw bloeien en voor de mensen zichtbaar worden als het huis, dat hun leven geeft en hoop over de dood heen (J. Ratzinger, De toekomst van het geloof, 1971 (laatste alinea's)).

Geen opmerkingen:

Een reactie posten