woensdag 20 januari 2010

Niets is zo ontwapenend als deze eeuwige inconsequentie...

Uit Clio van Charles Péguy (1912):

Kijk, zegt [Clio, de muze van de geschiedens], neem nu deze man van veertig. […] Hij is veertig jaar oud, hij weet het dus. De wetenschap die geen enkel onderricht kan geven, het geheim dat geen enkele methode voortijdig kan verschaffen, de kennis die geen enkele discipline aanleert noch aan kan leren, het onderwijs dat geen enkele school kan aanbieden, hij weet het. Met zijn veertig jaar heeft hij, op de meest natuurlijke wijze – dat moet gezegd worden – het geheim meegedeeld gekregen dat onder het merendeel van de mensen bekend is en dat toch het sterkst geheim gehouden wordt. Ten eerste weet hij wie hij is. Dat kan van pas komen. In een loopbaan. Hij weet wat Péguy is. Hij is begonnen dat te weten te komen, hij heeft er de eerste grondlijnen van gezien toen hij zo’n drieëndertig, vijfendertig, zevenendertig jaar oud was. Hij weet met name dat Péguy dat jongetje is van tien, twaalf jaar, dat hij lang geleden heeft leren kennen toen hij rondzwierf langs de dijken van de Loire. Hij weet ook dat meteen daarna de periode begonnen is van, moeten we bijna zeggen, ook al bevalt dat woord ons helemaal niet, in zekere zin de periode van een soort masker, van een soort theater-deformatie, Persona, theatermasker. Hij weet tenslotte dat de Sorbonne en de Normaalschool en de politieke partijen hem zijn jeugd hebben kunnen ontnemen maar er niet in geslaagd zijn zijn hart te stelen. Dat ze zijn jonge jaren hebben kunnen verslinden maar er niet in geslaagd zijn zijn hart te verslinden. Hij weet tenslotte, hij weet ook dat de hele tussenliggende periode in het geheel niet van belang is, niet bestaat, dat het een tussenliggende masker-periode is en hij weet dat de masker-periode voorbij is en niet meer terugkomt. En dat de dood gelukkig eerder zal komen. Want […] sinds enkele jaren, sinds hij de leeftijd van drieëndertig, vijfendertig, zevenendertig jaar bereikt heeft […] kent hij het grote geheim van elk schepsel, het meest universeel bekende geheim, dat desondanks nooit doorgedrongen is, het staatsgeheim van alle mensen, het meest universeel toevertrouwde geheim, van de een aan de ander, van hand tot hand, met zachte stem […], het nimmer opgeschreven geheim. Het meest wereldwijd verbreide geheim dat tegelijkertijd nooit van mensen van veertig jaar, van boven de zevenendertig, van boven de vijfendertig, van boven de drieëndertig, is doorgegeven, is afgedaald naar de mensen daaronder. Hij weet; en hij weet dat hij weet. Hij weet dat men niet gelukkig is. Hij weet dat sinds het ontstaan van de mensheid er nooit een mens gelukkig geweest is. En hij weet dat zo grondig, met een wetenschap die zo diep in zijn hart is binnengedrongen, dat het misschien, dat het zeker het enige geloof, de enige wetenschap is waaraan hij hecht, waarin hij voelt en weet helemaal toegewijd te zijn, met zijn hele eer, de enige waarin er voor hem geen enkel geheim akkoord, geen enkel masker, geen enkele medeplichtigheid bestaat. […] Maar zie nu de inconsequentie. Dezelfde man. Deze man heeft natuurlijk een kind van veertien jaar. Nu heeft hij één enkele gedachte. En wel dat zijn kind gelukkig wordt. En hij zegt niet tegen zichzelf dat het werkelijk de eerste keer zou zijn; dat men dat zou zien. Nee, hij zegt helemaal niets tegen zichzelf, en dat is juist het teken van de diepste gedachte. Deze man is een intellectueel of hij is het niet. Een filosoof of geen filosoof. […] Hij heeft een onnozele gedachte. Dat zijn de beste. Het zijn de enige. Hij heeft maar één gedachte. Een gedachte als van een dier. Hij wil dat zijn kind gelukkig wordt. Het is het enige waar hij aan denkt, dat zijn kind gelukkig wordt. Hij heeft nog een gedachte. Hij maakt zich enkel druk over het idee dat zijn kind (al) van hem heeft; het is een idée-fixe, een obsessie, d.w.z. een belegering, een bloccade, een soort scrupuleuze en verslindende manie. Hij heeft maar een zorg, het oordeel dat zijn kind, in het geheim van zijn hart, over hem zal hebben. Hij wil de toekomst alleen aflezen in de ogen van dit kind. Hij zoekt de bodem van zijn ogen. Dat wat nog nooit gelukt is, dat wat nog nooit gebeurd is, daarvan is hij overtuigd dat het deze keer zal gebeuren. En niet alleen dat; maar dat het natuurlijk en kalm zal gebeuren. Als gevolg van een soort natuurwet. Welnu, ik zeg, zegt de geschiedenis, dat niets zo ontroerend is als deze altijddurende, als deze eeuwige, als deze eeuwig nieuwe inconsequentie; en dat niets zo mooi is; en dat niets zo ontwapenend is voor God; en dit is juist het gewone verbazingwekkende van jullie jeugdige Hoop".

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen