woensdag 30 juni 2010

25 jaar bijlezen

Twee dingen zijn bij [een] blik op het beeld van de eros in de geschiedenis en in het heden duidelijk geworden. Allereerst dat liefde ergens met het goddelijke van doen heeft: zij belooft oneindigheid, eeuwigheid - het grotere en totaal andere in vergelijking met het alledaagse van ons bestaan. Tegelijk is duidelijk geworden dat de weg daar naartoe niet eenvoudig in de overweldiging door het instinct gevonden kan worden. Zuivering en rijping zijn nodig, waarvoor ook de weg van het afzien gegaan moet worden. Dit is geen afwijzen van de eros, niet zijn vergiftiging, maar zijn genezing met het oog op zijn ware grootheid.
Dat ligt op de eerste plaats aan de constitutie van het menselijk wezen, dat is samengesteld uit ziel en lichaam. De mens wordt pas dan helemaal zichzelf, als lichaam en ziel een innerlijke eenheid vinden; de uitdaging van de eros is pas dan goed doorstaan, als deze eenwording gelukt is. Wanneer de mens enkel geest wil zijn en het lichaam zou willen afdoen als louter dierlijke erfenis, verliezen geest en lichaam hun waardigheid. En wanneer hij de geest verloochent en zo de materie, het lichaam, voor de enige werkelijkheid aanziet, verliest hij opnieuw zijn grootheid. [...] Maar beminnen doen niet geest of lichaam - de mens, de persoon bemint als één enkel schepsel, dat één is en waartoe elk behoort. Alleen in het werkelijk één worden van beiden, wordt de mens helemaal zichzelf. Alleen zo kan liefde - eros - rijpen tot haar ware grootheid.
Vandaag de dag wordt het christendom dikwijls lichaamsvijandigheid verweten, en tendensen in die richting zijn er ook altijd geweest. Maar het soort lichaamsverheerlijking dat we vandaag de dag beleven is bedrieglijk. De tot “seks” gedegradeerde eros wordt tot handelswaar, tot louter “ding”; men kan het kopen en verkopen, ja, de mens zelf wordt daarbij tot handelswaar. In werkelijkheid is dit niet het grote ja van de mens op zijn lichaam. Integendeel: hij beschouwt nu het lichaam en de seksualiteit als het puur materiële van zichzelf, dat hij berekenend inzet en misbruikt. Het verschijnt niet als gebied van zijn vrijheid, maar als een iets, dat hij op zijn manier tegelijk plezierig en onschadelijk zoekt te maken. In werkelijkheid staan we daarbij voor een ontwaarding van het menselijk lichaam, dat niet meer in het geheel van de vrijheid van ons bestaan wordt geïntegreerd, niet langer meer levende uitdrukking is van heel ons zijn, maar als het ware wordt teruggeduwd in het louter biologische. De schijnbare verheerlijking van het lichaam kan heel snel omslaan in haat jegens de lichamelijkheid. Daartegenover heeft het christelijk geloof de mens steeds als het twee-ene wezen gezien, waarin geest en materie elkaar doordringen, waardoor beiden een nieuwe adel ervaren. Ja, eros wil ons in verrukking brengen en aan het goddelijke doen raken, ons boven ons zelf doen uitstijgen, maar juist daarom heeft hij een weg omhoog te gaan, een weg van afzien, zuivering en genezing.

(Eerste encycliek van Benedictus XVI (2005), Deus caritas est, n. 5).
't Is natuurlijk een inkopper, maar je zou denken dat professor Demasure wil dat de Kerk 25 jaar zwijgt over sexualiteit om haar de tijd te geven alle theologie die ze de afgelopen decennia gemist heeft, een beetje in te halen. :)

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen