dinsdag 14 juni 2011

Kardinaal Schönborn: zo heeft de oosterse theologie mij geholpen kerkelijk te blijven

Hier de vertaling van een (lange) alinea uit een interview van Paolo Rodari met Christoph kardinaal Schönborn, aartsbisschop van Wenen (in il Foglio van 5 juni):
De aantrekkingskracht van het geloof heeft voor Schönborn de weg getekend naar het priesterschap. De kardinaal vertelt: “Toen ik elf was, had ik als leraar godsdienst een zeer goede priester die mij de liefde voor Jezus deed ontdekken. Rond mijn achttiende was deze liefde nog intact en zelfs nog levendiger. Daarom trok ik de stoute schoenen aan en koos voor het priesterschap. De keuze voor de dominicanen maakte ik toen ik pater Paulus leerde kennen. Dat was een dominicaanse intellectueel met een grote liefde voor de rozenkrans. Dit contrast tussen volksdevotie en grote, in de thomistische school gevormde intelligentie, fascineerde mij. Deze manier van leven nam ik van hem over en werd voor mij een ideaal - en is dat nog steeds: een veeleisend intellectueel leven, verenigd met eenvoudige volksdevotie. In de ene hand Sint Thomas en in de andere de rozenkrans. In 1964 begon ik mijn studies. Ik herinner me dat om ons heen alles instortte. Het noodlottige jaar van verandering was namelijk niet 1968 maar 1964, het jaar waarin stemmen opkwamen die van het Tweede Vaticaans Concilie een ‘paraconcilie’ wilden maken, in de uitdrukking van Henri de Lubac. Het was het jaar waarin de Nederlandse dominicaanse theoloog Edward Schillebeeckx het thomisme verliet en zich wierp op de hermeneutica en de moderne exegese. Ik begon mijn filosofie- en theologiestudie juist op het moment dat het klassieke thomisme, de klassieke thomistische vorming ineenstortte, maar er ook nog geen nieuwe disciplinaire orde was. Aanvankelijk was ik geboeid door de menswetenschappen, in het bijzonder door de psychologie, maar opnieuw deed een belangrijke ontmoeting mij van richting veranderen. Ik ontmoette een orthodoxe monnik, André Scrima, die voor mij de oosterse Kerkvaders ontsloot. Ik denk dat het dankzij Scrima is - die tijdens het Concilie de persoonlijke theoloog van de oecumenische patriarch Atenagoras I was - dat ik heb kunnen overleven in deze omgeving waar de methode van theologische studie ten diepste veranderd was. Scrima deed mijn groep kennismaken met Jacques Derrida, toentertijd een idoolfiguur in het filosofisch panorama. Hij leerde ons Maximus de Belijder kennen, die de hoofdrolspeler van mijn studies werd. Met Scrima ontmoetten we de Kerkvaders als een warme en authentieke manier van denken, los van een puur historisch-kritische benadering. De visie van de Kerkvaders was sterk christologisch, het goddelijke in het menselijke. In dit perspectief heb ik me veel beziggehouden met de grote filosoof en kardinaal uit de vijftiende eeuw, Nicolaas van Cusa, die Christus het maximum concretum [het allerconcreetste] noemt. Christus is de concrete, reële God, mens en God tegelijk. Het is de paradox die ik bestudeerde in Vladimir Solovjov, God als historische, reële, menselijk-goddelijke persoon, met de concreetheid van het vlees, die figuur met wie ons nu Benedictus XVI laat kennismaken in zijn boeken, waarin hij ons uitnodigt om uit te stijgen boven de historisch-kritische benadering om de Jezus van de Evangelies te vatten als de reële Jezus”.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen