vrijdag 12 augustus 2011

120 jaar Rerum novarum (12): Deel 2. Hoofdstuk 2. De taak van de staat

ARTIKEL 1 - Ook louter menselijke hulpmiddelen moeten gebezigd worden; de medewerking van een goed geordende staat

25. Zonder twijfel echter worden voor het beoogde doel ook de hulpmiddelen vereist, die in de macht der mensen liggen. Allen, wie het betreft, zonder uitzondering moeten, ieder voor zijn deel, hetzelfde doel nastreven en het hunne ertoe bijdragen. En hierin ligt een zekere gelijkenis met de providentiële leiding der wereld: als regel immers zien wij een gevolg eerst dan ontstaan, als al zijn oorzaken samenwerken.
Wij willen dan eerst onderzoeken, in hoeverre van de staat genezing mag verwacht worden. Wij bedoelen hier met staat niet de bepaalde staatsinrichting van dit of dat volk, maar in het algemeen die staat, zoals die geëist wordt door het gezond verstand in overeenstemming met de natuur en goedgekeurd door de uitspraken der goddelijke Wijsheid, die wij zelf met name in de encycliek over de christelijke inrichting der staten hebben uiteengezet.

ARTIKEL 2 - Reeds door de geest van zijn wetgeving en bestuur zorge de staat voor het algemeen welzijn. Zijn zorg strekke zich uit tot alle burgers zonder uitzondering en speciaal tot de arbeiders

26. Het staatsbestuur moet dan vooreerst in het algemeen en in alle opzichten zijn medewerking verlenen door de gehele geest van zijn wetten en instellingen, door namelijk te zorgen, dat reeds uit de inrichting en het bestuur van de staat de welvaart zo van de gemeenschap als van de individuen vanzelf opbloeie. Dit toch is de taak van het regeringsbeleid en de eigenlijke plicht van hen, die de staat besturen. Wat nu het meest de welvaart der staten bevordert, dat is: goede zeden, een goed en ordelijk gezinsleven, het onderhouden der plichten van de godsdienst en de rechtvaardigheid, een matig opleggen en billijke verdeling van belastingen, vooruitgang van handel en nijverheid, bloei van de landbouw en alle andere dergelijke zaken: hoe krachtiger deze bevorderd worden, des te welvarender en gelukkiger zal het leven der burgers zijn. Door deze middelen is het staatsbestuur bij machte, alle klassen te helpen, maar vooral de toestand der proletariërs belangrijk te verbeteren: en dit krachtens eigen onbetwistbaar recht en zonder dat hij de verdenking op zich laadt van ongeoorloofde inmenging. De staat immers moet krachtens zijn plicht het algemeen welzijn bevorderen. En hoe groter overvloed van voordelen uit deze algemene staatszorg zal voortspruiten, des te minder zal het nodig zijn andere middelen te beproeven voor het welzijn der arbeiders.

27. Bovendien echter moet dit wel overwogen worden, hetgeen de kern der zaak raakt, dat nl. het doel van de staat één is, omvattend zowel de hoogste als de laagste standen. Immers van nature zijn de proletariërs op gelijke rechtsgrond, als de rijken, burgers en dus echte en levende delen, waaruit met de gezinnen als tussenschakel het staatslichaam wordt gevormd, afgezien nog van het feit, dat zij in alle steden verreweg het talrijkst zijn. Daar het nu zeer dwaas zou zijn, voor een deel der burgers te zorgen en een ander deel te verwaarlozen, volgt hieruit, dat de staat de vereiste zorg moet besteden aan de bescherming van het welzijn en de belangen der proletariërs, en, dat, zo dit niet geschiedt, de rechtvaardigheid geschonden wordt, die gebiedt aan ieder het zijne te geven. Over dit punt zegt de H. Thomas zeer juist: “Gelijk het deel en het geheel in zekere zin hetzelfde zijn, zo is dat, wat van het geheel is, in zekere zin ook van het deel.” Daarom is onder de vele en zware verplichtingen der regeerders, die het welzijn van hun volk naar behoren willen bevorderen, deze de allervoornaamste, dat zij alle klassen van burgers gelijkelijk beschermen, door de zogenaamde “verdelende” rechtvaardigheid ongeschonden te bewaren.
Ofschoon nu alle burgers zonder uitzondering iets moeten bijdragen tot het geheel der gemeenschappelijke goederen, waarvan dan weer vanzelf een ieder zijn deel ontvangt, kunnen zij toch geenszins allen hetzelfde en evenveel bijdragen. Hoe verschillend ook de regeringsvormen mogen zijn, altijd zal in de toestand der burgers die verscheidenheid zijn, zonder welke geen maatschappij kan bestaan noch gedacht worden. Het is volstrekt noodzakelijk, dat enigen gevonden worden, die besturen, wetten maken, recht spreken, mensen ten slotte, door wier beleid en gezag de staatszaken in vrede en oorlog worden beheerd. Voor ieder is het duidelijk, dat deze mannen de voornaamste taak verrichten en voorrang moeten genieten onder alle burgers, omdat zij onmiddellijk en bij uitstek het algemeen welzijn bevorderen. Daartegenover zijn zij, die in enig bedrijf werkzaam zijn, niet in dezelfde mate noch door dezelfde soort van diensten de staat ten nutte; maar toch dienen ook zij in hoge mate, zij het minder rechtstreeks, het algemeen belang. Zeker, daar het voordeel van het maatschappelijk leven van die aard moet zijn, dat de mensen daardoor beter worden, moet het natuurlijk vooral gezocht worden in deugd. Niettemin rust op een wel geordende staat ook de taak te zorgen, dat de lichamelijke en uitwendige goederen voorhanden zijn, “wier gebruik voor de beoefening der deugd noodzakelijk is”. Welnu, tot het voortbrengen van deze goederen is de arbeid der proletariërs de invloedrijkste en onontbeerlijkste factor, hetzij zij hun kennis en kracht te werk stellen in de landbouw of in de industrie. Ja zelfs is hun arbeid ten deze van zó grote invloed en van zulk een beslissende betekenis, dat het een absolute waarheid is, dat de rijkdom der staten uit niets anders ontstaat dan uit de werkzaamheid der arbeiders. De billijkheid eist derhalve, dat van overheidswege voor de arbeider gezorgd worde, opdat deze van hetgeen hij bijdraagt tot de algemene welvaart, zelfs iets ontvange, een woning, kleding en bestaanszekerheid, om minder kommervol te kunnen leven. Daaruit volgt, dat de staat alles moet begunstigen, wat de toestand der arbeiders, hoe dan ook, ten goede kan komen. En deze zorg benadeelt niemand, zal veeleer allen ten voordeel zijn, want het is voor de staat van het hoogste belang, dat zij niet op allerlei wijzen in ellende verkeren, die zo onmisbare goederen voortbrengen.
(Paus Leo XIII, encycliek Rerum novarum. Over kapitaal en arbeid, 15 mei 1891, Deel 2, hoofdstuk 2, artikel 1 en artikel 2)

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen