zaterdag 13 augustus 2011

120 jaar Rerum novarum (13): Deel 2. Hoofdstuk 2. De taak van de staat

ARTIKEL 3 - Recht en plicht van de staat tot ingrijpen in talrijke aangelegenheden van individuen en groepen

28. De burgers, noch de gezinnen mogen, zoals wij reeds zeiden, geheel opgaan in de staat. Aan beide moet de bevoegdheid gelaten worden, om vrij op te treden, in zoverre daardoor geen afbreuk gedaan worde aan het algemeen welzijn noch aan iemands recht. Het is evenwel de taak van de staatsoverheid, de gemeenschap en de delen er van te beschermen. De gemeenschap, omdat de natuur aan de hoogste macht de instandhouding daarvan heeft toevertrouwd, zó zelfs, dat het verzekeren van het openbaar welzijn niet alleen de hoogste wet, maar zelfs het enige doel en de enige bestaansgrond is van de staatsmacht. De delen verder, omdat volgens de eenstemmige leer van de wijsbegeerte en het geloof het besturen van de staat van nature niet ten doel heeft het voordeel van hen, wie dit bestuur is toevertrouwd, maar van hen die er aan onderworpen zijn. En daar de bestuursmacht van God komt en in zeker opzicht een deel hebben is in Zijn hoogste oppergezag, moet deze ook uitgeoefend worden naar het voorbeeld van de goddelijke macht, die met vaderlijke zorg evenzeer iedere zaak afzonderlijk als alles tezamen behartigt. Mocht dus het algemeen belang of de belangen van de afzonderlijke klassen geschaad zijn of bedreigd worden zó, dat het op geen andere wijze kan hersteld of afgeweerd worden, dan moet het staatsgezag ingrijpen.

29. Welnu èn voor het algemeen welzijn èn voor dat der individuen is het van belang, dat er vrede en orde heersen: dat de gehele inrichting van het gezinsleven in overeenstemming zij met Gods bevelen en de beginselen der natuurwet: dat de godsdienst geëerbiedigd en nageleefd worde: dat reinheid van zeden heerse in het openbare en in het particuliere leven: dat de rechtvaardigheid ongeschonden bewaard worde en dat men elkaar niet ongestraft in zijn rechten krenke: dat een krachtig geslacht van burgers opgroeie, in staat om, als de omstandigheden het eisen, de staat te helpen en te beschermen. En daarom, indien te eniger tijd onlusten zouden dreigen, omdat de arbeiders het werk neerleggen of volgens afspraak in staking gaan, indien de natuurlijke familiebanden bij de arbeiders verslappen, indien de godsdienst bij de werkende klasse wordt tekort gedaan, doordat hun niet voldoende gelegenheid geboden wordt tot vervulling hunner godsdienstplichten, indien op de werkplaatsen gevaar dreigt voor de reinheid der zeden, doordat mannen en vrouwen niet gescheiden arbeiden, of door andere verderfelijke aanlokselen tot zonde, indien de werkgevers de arbeiders onder onbillijke lasten gebukt doen gaan en radeloos maken door arbeidsvoorwaarden, in strijd met hun menselijke persoon en waardigheid, als hun gezondheid schade mocht lijden door al te zware arbeid, of door arbeid niet aangepast aan hun sekse of leeftijd, - in al deze gevallen moet zeer zeker, zij het dan binnen bepaalde grenzen, de krachtige en gezagvolle hulp der wetten worden ingeroepen. En die grenzen worden bepaald door het doel, waarvoor de hulp der wetten gevraagd wordt: de wet namelijk moet niet meer willen regelen noch verder gaan, dan nodig is voor het herstel der nadelen of het afweren van het gevaar.
De rechten, wie ze dan ook bezit, moeten nauwgezet gehandhaafd worden: en door onrecht tegen te gaan en te straffen moet de openbare macht zorg dragen, dat ieder in het bezit blijft van het zijne. Evenwel bij het beschermen der rechten van de individuen moet vooral de aandacht geschonken worden aan de geringen en armen. Want de klasse der rijken is door eigen middelen beschut en heeft dus de bescherming van de staat minder nodig; maar de misdeelden, niet beveiligd door eigen vermogen, steunen vooral op de bescherming van de staat. Daarom moet deze zijn bijzondere zorg en waakzaamheid uitstrekken tot de loonarbeiders, daar deze tot het groot aantal der bezitlozen behoren.
(Paus Leo XIII, encycliek Rerum novarum. Over kapitaal en arbeid, 15 mei 1891, Deel 2, hoofdstuk 2, artikel 3)

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen