zondag 14 augustus 2011

120 jaar Rerum novarum (14): Deel 2. Hoofdstuk 2. De taak van de staat

ARTIKEL 4 - Afzonderlijke vermeldingen verdienen

PARAGRAAF 1 - De bescherming van de privaateigendom

30. Het is echter goed enige punten van meer belang met name te behandelen. Eerste plicht van de staat is de privaateigendom door het gezag en de steun der wetten te beschermen. En vooral nu de begeerlijkheid zo heftig is ontbrand, moet het volk binnen de grenzen van zijn plicht gehouden worden; want wel is het geoorloofd naar verbetering te streven, als niet tekort wordt gedaan aan de rechtvaardigheid, maar aan een ander het zijne te ontnemen en onder het voorwendsel ener onzinnige gelijkheid zich het bezit van een ander toe te eigenen, dat wordt door de rechtvaardigheid verboden en is ook in strijd met het algemeen belang. Zeker verreweg het grootste deel der werklieden wil niet anders dan door eerzame arbeid, zonder iemand onrecht te doen, een beter lot verkrijgen; evenwel zijn er ook velen, die geheel doortrokken van verkeerde opvattingen en begerig naar omwenteling alles erop aanleggen, om onlusten te verwekken en anderen tot daden van geweld aan te sporen. Het staatsgezag moet hier dus tussenbeide treden, de opruiers beteugelen en zo de arbeidersklasse voor moreel bederf en de wettige eigenaars voor gevaar van beroving behoeden.

PARAGRAAF 2 - Het voorkomen van stakingen

31. Te langdurige of te zware arbeid en een te laag geoordeeld loon zijn niet zelden oorzaak, dat de arbeiders volgens afspraak de arbeid neerleggen en vrijwillig tot werkloosheid overgaan. Dit euvel, dat veel voorkomt en ernstig is, moet van staatswege verholpen worden, omdat zulk een staking niet slechts de patroons en de arbeiders zelf schade brengt, maar ook de handel en de belangen van de staat benadeelt; en daar men bij een staking zo gemakkelijk overslaat tot daden van geweld en onlusten, wordt dikwijls de openbare orde in gevaar bracht. Door wettelijke maatregelen dit kwaad voorkomen en zorgen, dat het niet kan uitbreken door tijdig de oorzaken van een dreigend conflict tussen patroons en arbeiders weg te nemen, dat is hier het krachtigste en heilzaamste middel.

PARAGRAAF 3 - De verdediging van de geestelijke belangen der arbeiders

32. Onder de talrijke arbeidsbelangen, die de staat verder moet beschermen, staan zijn geestelijke belangen vooraan. Immers het leven op aarde, hoe goed en begerenswaard, vormt op zich niet het einddoel, waarvoor wij geboren zijn: het is slechts een weg en een middel, om het leven der ziel te vervolmaken door de kennis van de waarheid en de liefde tot het goede. Juist de ziel draagt in zich het beeld en de gelijkenis Gods en is de zetel van de heerschappij, welke de mens moet uitoefenen over lagere schepsels en waardoor hij alle landen en zeeën dienstbaar moet maken aan zijn nut: “Vervult de aarde en onderwerpt ze aan u en heerst over de vissen der zee en over de vogelen des hemels en over alle dieren, welke zich bewegen op aarde” (Gen. 1, 28). In dit opzicht zijn alle mensen gelijk en is er geen verschil tussen rijk en arm, heer en dienaar, vorst en onderdaan. “Hij is toch dezelfde Heer voor allen” (Rom. 10, 12). Niemand mag de waardigheid van de mens, waarover God zelf “met grote eerbied” beschikt, ongestraft krenken, noch hem belemmeren in zijn streven naar die volmaaktheid, waaraan het eeuwig leven in de hemel beantwoordt. Zelfs staat het de mens niet vrij, ook al zou hij het willen, zich in dit opzicht in strijd met zijn natuur te laten behandelen noch zijn ziel aan slavernij prijs te geven: immers het gaat hier niet om rechten, waarover de mens vrije beschikking heeft, maar om plichten jegens God, die nauwgezet moeten onderhouden worden.
Hieruit volgt, dat niet mag gewerkt worden op Zon- en feestdagen. Geen toegeven aan vadsig nietsdoen is hiermee bedoeld, nog veel minder het door velen gewenste vrij-zijn, dat ondeugden aankweekt en geld doet verspillen, maar een rust, geheiligd door de godsdienst. Rust, verbonden met godsdienst, onttrekt de mens aan de arbeid en de beslommeringen van het dagelijkse leven, om hem zo te brengen tot de overdenking der hemelse goederen en tot het onderhouden van de eredienst, rechtmatig verschuldigd aan de eeuwige God. Dit is vooral de betekenis en het doel van het nemen van rust op Zon- en feestdagen. In het Oud Verbond heeft God dit door een afzonderlijke wet bekrachtigd: “Wees indachtig, dat gij de sabbatdag heiligt” (Ex. 20, 8), en tevens door eigen daad geleerd, doordat Hij aanstonds na de mens geschapen te hebben, die geheimzinnige rust nam: “Hij rustte op de zevende dag van al het werk, dat Hij gemaakt had” (Gen. 2, 2).
(Paus Leo XIII, encycliek Rerum novarum. Over kapitaal en arbeid, 15 mei 1891, Deel 2, hoofdstuk 2, artikel 4, paragraaf 1, 2 en 3)

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen