vrijdag 21 oktober 2011

Assisië 2011

Aanstaande donderdag gaat de paus naar Assisië voor een 'Dag van bezinning, dialoog en gebed voor vrede en gerechtigheid in de wereld' samen met vertegenwoordigers van andere wereldreligies. Met het oog hierop schreef op 14 juli jl. Julián Carrón, leider van de katholieke beweging Gemeenschap en Bevrijding, in L'Osservatore Romano een artikel, waarvan wij vandaag graag de door Klaartje Roegiers verzorgde vertaling publiceren:
Vanuit de christelijke nieuwheid, een waarlijk oecumenische blik

Met het oog op de dag voor vrede en gerechtigheid in Assisië

De “Dag van bezinning, dialoog en gebed voor vrede en gerechtigheid in de wereld”, die Benedictus XVI op 27 oktober aanstaande wil houden, is een gedurfd gebaar, zoals het initiatief van de zalige Johannes Paulus II dat vijfentwintig jaar geleden is geweest.
“In naam waarvan kan [paus Johannes Paulus II] de vertegenwoordigers van alle religies samenroepen om samen in Assisië te komen bidden”, vroeg don Giussani zich in 1986 af. Zijn antwoord: “Voor wie begrijpt dat het religieuze zintuig de natuur van de mens, het hart van de mens uitmaakt, is het juist in dit religieuze zintuig dat alle mensen gelijk zijn en hun identiteit vinden. De diepste autoriteit van het mensenhart is het religieuze zintuig: openheid enerzijds voor de bestemming en anderzijds voor de waarde van het heden. Om het juiste woord te gebruiken: het religieuze zintuig is het enige echt katholieke zintuig, dat wil zeggen aangepast aan iedereen, van iedereen”.
Het religieuze zintuig – die oorspronkelijke kern van zekerheden en verlangens (naar waarheid, schoonheid, gerechtigheid, geluk) waarmee iedere mens de confrontatie met de werkelijkheid aangaat – is wat de mensen van iedere tijd en plaats samenbrengt. Het drukt het bewustzijn uit van de oorspronkelijke afhankelijkheid van het Mysterie dat alle dingen maakt. Daarom heeft don Giussani ons altijd geleerd ontzag te hebben voor “religieuze creativiteit en de waardigheid van deze menselijke inspanning ernstig te nemen. In iedere mens leeft een onvermijdelijk verlangen om de laatste, definitieve, absolute betekenis van zijn voorbijgaand bestaan te vinden. Iedere religieuze constructie is de weerspiegeling van het feit dat elkeen zich naar beste vermogen inspant; het waardevolle dat alle religieuze verwezenlijkingen gemeen hebben, is juist die poging. Wat deze verwezenlijkingen van elkaar onderscheidt, is een uitdrukkingswijze die van diverse factoren afhangt; de varianten doen echter nooit iets af aan de uitgedrukte waarde” (Luigi Giussani, À l’origine de la prétention chrétienne, Parijs 2006, p. 25).
Deze nagestreefde ernst toont in de loop van de tijd ook de dubbelzinnigheid waarmee de mens de objectieve relatie tot zijn eigen religieuze zintuig verwezenlijkt. Dat religieuze zintuig, die oorspronkelijke kern van verlangens en evidenties die als het licht zou moeten zijn dat de mens op zijn levensweg verheldert, blijkt speelbal te zijn van zijn interpretaties – juist omdat het voorwerp ervan nog een mysterie is en de menselijke rede door de zonde gewond – zodat het dagelijkse leven waar hij concreet voor staat, hem deze zin voor het mysterie doet vergeten of reduceren.
Het risico dat men “het goddelijke mysterie ontwijkt door de constructie van een toegankelijke god die aan eigen overtuigingen, aan eigen plannen beantwoordt”, ligt altijd op de loer, zoals Benedictus XVI ons heel recentelijk heeft gezegd (Algemene audiëntie van 1 juni 2011). Waar kan de mens het heldere bewustzijn en de affectieve energie halen om zich aan het Mysterie te hechten zolang dat Mysterie onbekend blijft? Zolang het object in duisternis is gehuld, kan iedereen zich inbeelden wat hij wil en zijn relatie met dat object volgens de eigen interpretatie bepalen. Sint Thomas van Aquino zegt het duidelijk aan het begin van zijn Summa Theologiae: “De waarheid, die de menselijke rede over God zou kunnen bereiken, zou in feite slechts voor een klein aantal gereserveerd zijn, na veel tijd en niet zonder het risico van dwalingen” (I, q. 1, art. 1).
Laten we aan de ervaring van verliefdheid denken. Een mens wil beminnen en bemind worden, maar wat doet hij zolang hij het gelaat van de geliefde persoon niet kent? Wat hij subjectief gezien het beste acht. Pas wanneer het gelaat verschijnt, kan het echt een aantrekkingskracht op het ik gaan uitoefenen. Ik weet heel goed dat ik naar het oneindige verlang, dat dit oneindige bestaat aangezien ik er steeds naar hunker – zoals Lagerkvist zei – maar elke dag opnieuw grijp ik naar het detail, loop ik gelijk welk object achterna dat mij vervolgens onbevredigd laat.
Dit overkomt de mens, tenzij datgene zich voordoet wat Wittgenstein hypothiseert: “Je hebt verlossing nodig, anders loop je verloren (…). Er moet een licht binnenkomen, om zo te zeggen, door het plafond heen, door het dak heen waaronder ik zit te werken en waarop ik niet wil klimmen. (…) Deze honger naar het absolute, die gelijk welk menselijk geluk als te bekrompen doet overkomen… lijkt mij prachtig, subliem, maar ik richt mijn blik op de aardse dingen: tenzij ‘God’ naar mij toe zou komen” (Ludwig Wittgenstein, Denkbewegingen: Dagboeken 1930-1932/1936-1937, Amsterdam 2000; cit. uit het Italiaans: Movimento di pensiero, Macerata 1999, p. 85).
Om het religieuze mensen als waarachtig religieuze mensen te beleven, en opdat wij niet uitgeput zouden geraken door almaar de aardse dingen in het vizier te houden, moet “God” naar ons toe komen. Hoe? “Het is een mens die men nodig heeft, / niet de wijsheid, / het is een mens die men nodig heeft, / in geest en waarheid; / geen land, geen dingen, / een mens heeft men nodig, / met een vaste tred, een uitgestoken hand / zo vast dat allen haar kunnen grijpen, en vrij bewegen / en gered worden” (zie Carlo Betocchi, “Wat een mens nodig heeft”, in: Dal definitivo istante/Het definitieve moment, Milaan 1999, p. 247).
Met Jezus van Nazareth “is het Mysterie een menselijk feit geworden, een mens die met zijn voeten liep, met zijn mond at, met zijn ogen weende, die gestorven is: dit is het echte voorwerp van het religieuze zintuig. De ontdekking van dit feit van Jezus Christus is voor mij tegelijk ook de openbaring van het religieuze zintuig dat er op een geweldige manier door verhelderd wordt”, heeft don Giussani ons gezegd, waarbij hij herinnerde aan de ontmoeting van Johannes en Andreas (zie Luigi Giussani, L’autocoscienza del cosmo/Het zelfbewustzijn van de kosmos, Milaan 2000, p. 17). De Romeinse redenaar Mario Vittorino gebruikt juist dezelfde termen om zijn eigen bekering te beschrijven: “Toen ik Jezus Christus ontmoette, heb ik ontdekt dat ik een mens was” (zie In Epistola ad Ephesios II, 4, 14).
Don Giussani onderstreept nog dat “Jezus Christus in de wereld is gekomen om de mens aan zichzelf terug te geven” en dat “het religieuze zintuig in Hem zijn zuivere betekenis heeft gekregen, helder en transparant is geworden, zonder zweem van dubbelzinnigheid. Daarom vindt het appel aan ieder mensenhart juist in het christelijke geloof zijn eigenlijke en onvergelijkelijke centrum. Met andere woorden: het geloof ontvouwt, bevestigt deze katholiciteit van het religieuze zintuig”. Met Jezus, de Zoon van God, is het Mysterie van de persoonlijke God een “affectief aantrekkelijke aanwezigheid” geworden, die het verlangen van de mens opwekt en zijn vrijheid, dat wil zeggen zijn vermogen tot instemming, uitdaagt, zoals niemand anders dat kan. De mens hoeft niets anders te doen dan toegeven aan de machtige aantrekkingskracht die van Zijn persoon uitgaat, zoals het een mens overkomt die verliefd wordt: de fascinerende aanwezigheid van de geliefde persoon wekt heel zijn affectieve energie op. Men hoeft slechts toe te geven aan de aantrekkingskracht van de persoon die men voor zich heeft.
Zoals don Giussani zegt: “Alleen een bewustzijn dat door Jezus Christus tot leven is geroepen, een christelijk bewustzijn, kan een diepe waardering voor het wezen van het mensenhart opbrengen”. Inderdaad, wie anders kan het religieuze zintuig vervullen dan Degene die er zelf het voorwerp van is? Dit is het vertrekpunt van elke authentieke interconfessionele en interreligieuze dialoog: de relatie van Jezus tot de Vader betekent niet dat het religieuze zintuig aan de kant gezet wordt; Jezus degradeert het religieuze zintuig niet tot iets dat “al bekend” is, Hij reduceert het niet tot een soort premisse, een propedeutisch moment, maar laat heel zijn potentieel vermogen “exploderen”. Alleen een christendom dat zijn oorspronkelijke natuur, zijn onvergelijkelijke karakter van contemporaine historische aanwezigheid bewaart – Jezus Christus hier en nu – kan aan de reële behoefte van de mens tegemoet komen en is zo in staat om het religieuze zintuig tot zijn recht te laten komen (zie Dominus Iesus).
Het gaat hier niet om een aan te nemen postulaat, maar om een menselijke nieuwheid die men, handelend, ontdekken moet: de christelijke boodschap onderwerpt zich aan deze verifiëring, aan het tribunaal van de menselijke ervaring. Indien de mens die ermee instemt Jezus Christus toe te behoren binnen de werkelijkheid van de Kerk, een nieuwheid te zien geeft die hijzelf, uit eigen kracht, niet bereiken kan – een onvoorstelbaar ontwaken en een vervulling van zijn mens-zijn in al zijn wezenlijke dimensies – dan zal het christendom geloofwaardig zijn en zal zijn aanspraak getest kunnen worden.
“Iedere boom immers wordt gekend aan zijn vruchten” (Lc. 6, 44): dit is het geweldige criterium ter verificatie dat Jezus zelf ons ter hand stelt. De verandering die de relatie tot Jezus Christus die aanwezig is, bewerkt, is van die aard dat Sint Paulus niet aarzelt te verklaren: “Zo is wie in Christus is, een nieuwe schepping: het oude is voorbij, het nieuwe is al gekomen” (2 Kor. 5, 17). De nieuwe schepping, dat is de mens in wie het religieuze zintuig zich in zijn volheid (die anders onmogelijk is) verwezenlijkt: rede, vrijheid, affectie, verlangen! Dit is de bijdrage die de christen vanuit een werkelijk levend geloof aan waarlijk religieuze mensen kan leveren, door te getuigen van de vervulling van de religiositeit in de erkenning van God en de liefdevolle instemming met Hem, opdat Hij “alles in alles” (zie Ef. 1, 23) kan worden, en door hun een criterium aan te reiken om hun eigen religieuze ervaring te beoordelen.
Deze menselijke nieuwheid wordt tot een waarlijk oecumenische blik, in de betekenis die de christelijke oudheid aan dat woord gaf: een blik “bezield door een elan dat de mens in staat stelt al het goede te waarderen in alles wat hij ontmoet omdat hij het ziet als deelname aan het plan dat in de eeuwigheid zal vervuld worden en dat Jezus Christus ons heeft geopenbaard” (Luigi Giussani – Stefano Alberto – Javier Prades, Generare tracce nella storia del mondo/Sporen trekken in de geschiedenis van de wereld, Milaan 1998, p. 157). Daarom kan oecumenische inzet niet gereduceerd worden – zoals vele dubbelzinnige initiatieven doen – tot een algemene tolerantie waarbij de ander uiteindelijk een vreemde blijft, maar is hij ingegeven door “liefde voor de waarheid die bij elkeen, al was het maar op fragmentarische wijze, aanwezig is. Telkens wanneer de christen een nieuwe werkelijkheid tegenkomt, benadert hij die op een positieve manier omdat zij een afstraling van Jezus Christus, een afstraling van waarheid bevat” (ibid.).
Dit is de ervaring die gerijpt is in de bijna zestigjarige geschiedenis van de beweging Gemeenschap en Bevrijding, niet alleen met onze orthodoxe broeders in Rusland, met protestanten in Duitsland en de Verenigde Staten, met anglicanen in het Verenigd Koninkrijk, maar ook dankzij onverwachte ontmoetingen met joodse, islamitische en boeddhistische vrienden. De geschiedenis van de relaties, meer dan twintig jaar geleden, met de monniken van de Koya-berg in Japan, aanhangers van het Shingon-boeddhisme, is veelbetekenend; deze stroming van het boeddhisme had reeds de grote missionaris Sint Franciscus Xaverius getroffen omwille van haar zin voor het mysterie. En hoe zouden we niet dankbaar zijn voor de aanwezigheid in ons leven van de Egyptische professor Wael Farouq en zijn vrienden, die in oktober 2010 tot de indrukwekkende Meeting van Caïro heeft geleid? Dankbaar ook en blijvend verwonderd zijn we over het getuigenis van de ontroerende dagelijkse trouw aan het Verbond van zovele joodse “grote broeders” in Italië, de Verenigde Staten, in de eerste plaats professor Joseph Weiler uit New York?
Het is een weefsel van relaties waarin ieder de ander helpt om meer zichzelf te zijn, hoofdrolspeler van die vrede – waardoor “degene die op weg is naar God, niet anders kan dan haar doorgeven, degene die aan de vrede bouwt, niet anders kan dan dichter bij God komen” (Benedictus XVI, Angelus van 1 januari 2011) – hoofdrolspeler van dat streven naar schoonheid, van dat liefdeselan dat vruchtbaar wordt en de goede Bestemming beaamt, God die wij erkennen terwijl Hij Zich over ons buigt en ons omhelst: Jezus Christus.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen