woensdag 30 november 2011

Schroefstrik recenseert Graham Greene

Met dank aan Klaartje Roegiers voor de vertaling, publiceren we een artikel uit Tempi (van 16 nov., p. 37 en 39). Het literaire genre is dat van C.S. Lewis' Brieven uit de hel, waarin de ervaren duivel Schroefstrik wijze raad geeft aan zijn beginnende neefje Galsem.
Mijn beste Galsem,
Onlangs herlas ik een roman van een gevaarlijke Engelse auteur. Gevaarlijk om twee redenen: omdat hij katholiek is, maar vooral omdat hij op het eerste gezicht helemaal niet katholiek oogt.
Het herlezen van deze roman doet mij nadenken over een paradox: degenen die ons bestaan [van ons duivels -vh] loochenen, zijn ook degenen die het hevigst de werkelijkheid van het kwaad verdedigen; wie ons integendeel kent en ducht, die weet ook dat wij in de grond inconsistent zijn, dat wij bestaan dankzij een ontkenning, dat wij ons van het goede hebben afgekeerd en daarom veroordeeld werden om niet te zijn.
De roman in kwestie is The End of the Affair (Nederlandse vertaling: Het einde van het spel), de verderfelijke auteur heet Graham Greene. De verontrustende karakteristiek van Greene, cultureel gezien, is dat zijn lezers bij een oppervlakkige kennismaking – zoals in een film of op de televisie – schijnbaar in een nachtmerrie ondergedompeld worden waarin het kwaad de wereld en de mannen en vrouwen die haar bewonen, verwoest. Maar een wat diepere blik, een gevoeliger oor, een geest die niet door en door positivistisch denkt (een omstandigheid die zich bijna niet voordoet), zal in die modderzee die de verhalen van Greene besmeurt, onmiskenbaar een positieve werkelijkheid bespeuren.
Een passage uit Het einde van het spel – zo merkt een priester op die ons veel kwaad heeft berokkend – laat dat op expliciete wijze zien. “De hoofdpersoon – aldus don Luigi Giussani – is een vrijdenker, een anarchistische schrijver uit Londen. Hij zoekt een vriend op wiens vrouw pas gestorven is. In diens woning treft hij een patertje, de biechtvader van de vrouw die katholiek was. Zodra de hoofdpersoon de pater ziet, begint hij heel zijn woede tegen de godsdienst op hem te koelen. In een tomeloze vloed van woorden die de priester schijnbaar bedelft, steekt hij de draak met God, met de wonderen enzovoort. Maar zodra de man even ophoudt met schelden om weer op adem te komen, neemt de pater het woord: ‘Het komt mij voor – zegt hij zo ongeveer – dat ik op dit punt een grotere vrijdenker ben dan u! Want volgens mij getuigt iemand die alle mogelijkheden aanneemt in plaats van er enige uit te sluiten, van een grotere vrijheid van denken’. Een positieve hypothese hebben is een optie, een keuze. De opvoeding van zijn vrijheid moet de mens leren kiezen voor een positief vertrekpunt… Het ergste wat er kan gebeuren is dat men zich tegenover de werkelijkheid opstelt met een hypothese die niet eens negatief is, maar die alles in het midden laat; dan doet men helemaal niets meer” (L. Giussani, De zin voor het Mysterie (Het religieuze zintuig), hoofdstuk 13).
In alle romans van Greene vindt men hetzelfde patroon, en het is echt zonde (vergeef me de lapsus) dat men ze steeds weer uitgeeft: hoe drukkender het klimaat van kwaad en zonde is (hier is het gebruik van het woord terecht), hoe troostelozer de troosteloosheid en hoe miserabeler de miserie, des te duidelijker komt de aanwezigheid, ja zelfs de kracht en de heerlijkheid van Onze Vijand aan het licht.
Wat in zijn verhalen, die bol staan van onze duivelse aanwezigheid, in het oog springt, is een helder bewustzijn dat onze indrukwekkende machtsontplooiing, verre van te imponeren, niets anders is dan een ontwapende onmacht.
Nochtans lijkt de wereld die Greene beschrijft een inferno. Van hun jeugd af is het leven van zijn personages volledig ondergedompeld in de zonde, de eigen zonde en die van anderen. Te beginnen met de school, die onder de vlag van vormingsinstituut een oord van kwelling blijkt te zijn. “Er konden verschrikkelijke wreedheden gebeuren zonder dat men er ook maar een moment bij stilstond; je kwam er voor het eerst volwassenen of adolescenten tegen met een kwaadaardig karakter. (…) Deze jongens waren sinds hun kinderjaren omgeven door de hel” (De wetteloze paden van Mexico).

Spiritualisten op de vlucht

Omgeven door de hel – een totale belegering, zowel van buiten als van binnen. En wat doet een mens in dat geval? Hij tracht weg te komen, te vluchten, de “grens” over te steken, te ontsnappen aan de controle van de gehate toezichters, de “partizanen van de orde”. Het kan een fysieke ontsnapping zijn, zoals die van de walgelijke Mexicaanse priester uit The Power and the Glory (vertaald als Het geschonden geweten), maar vaak ook een geestelijke vlucht in de wereld van de godsdienst. Voor ons, duivels, zijn mensen op de vlucht een goudmijn; vooral mystieke geesten die “vrede vinden” in de verheffing van hun ziel, zijn de beste propaganda voor de nutteloosheid van godsdienst.
Maar, helaas, Greene lijkt daarvan op de hoogte te zijn. En hij gaat die vluchters achterna om ze in de werkelijkheid terug te brengen, omdat het zijn, hoe smerig ook, nog altijd beter is dan het niets. De romancier bespeurt dat de betekenis van het leven (God, in hun jargon) aan het licht komt in de ervaring van het leven, voorbij de uiterlijke verschijning, maar toch daarin vervat, niet ernaast. Dus kan de “grens” niet gepasseerd worden. De Mexicaanse priester, die erin geslaagd was haar over te steken, keert op zijn stappen terug, gedreven door een innerlijke drang die hem voorwaarts stuwt, alsof zijn natuur hem dit oplegt. Zijn natuur is zijn rede geworden.
Die band is voor ons het grote gevaar: “de rede en de natuur in hun wederzijdse onderlinge betrekking”, zoals Benedictus XVI het in Berlijn herhaalde, waarbij hij voor de zoveelste keer de mensen uitnodigde om het ene niet tot het andere te reduceren. Want een rede die met de natuur wordt geconfronteerd, wordt wijder en slaat de werkelijkheid niet aan stukken. Onze benadering doet dat juist wel. Als de rede openstaat voor “de taal van het zijn”, dan is het alsof verstand en hart van de mens zich verruimen, deuren en vensters opengegooid worden en die God kan binnenkomen, die wij eeuwenlang hebben trachten weg te moffelen in een hemel waarnaar niemand nog in staat was de ogen te verheffen.

Een afgrond van verschrikkingen

Maar als de werkelijkheid een inferno is? Op de eerste plaats moeten wij ons daar niet over beklagen; wij maken er iets gruwelijks van opdat de mens de werkelijkheid zou ontvluchten, maar bij nader inzien is het juist in die chaos dat van binnenuit de hoop kan opbloeien. Punt is, zoals altijd, ervoor te zorgen dat men niet nader inziet. Maar die geduchte Greene is niet ingeklapt bij het zien van de gruwelen, hij heeft zijn verstand niet op nul gezet, maar is in de diepten van de ellende doorgedrongen. “Zo begin je een vaag inzicht te krijgen in de angstwekkende geheimen van de liefde, die te midden van een verscheurde wereld aan het werk is” (De wetteloze paden van Mexico).
Als een mens in heel zijn kwetsbaarheid bloot komt te liggen, als de werkelijkheid de sluier van de huichelarij afrukt en al haar contradicties openlegt, als de geschiedenis al haar treurigste mogelijkheden uitstalt, lijkt het, lieve neef, dat onze overwinning totaal is. Maar, helaas, voor wie blijft nadenken, niet de ogen van de rede sluit (ik spreek niet over de ogen van het geloof), welt de verwondering op. Graham Greene neemt aan dat de hele werkelijkheid “is”, en hij houdt ervan. “Hier kun je van de menselijke schepselen houden bijna zoals God van hen houdt, hoewel je maar al te goed weet hoe slecht ze zijn; hier hou je niet meer van een pose, van een mooi kleed, van een gevoel dat iemand zich kunstmatig heeft aangemeten” (The Heart of the Matter, vertaald als De kern van de zaak).
Het realisme berokkent ons heel veel kwaad. Die Greene heeft Giussani en diens aansporing om “de werkelijkheid altijd intensief te beleven” natuurlijk niet kunnen lezen, maar hij gaat hem voor wanneer hij schrijft: “Om waarlijk mens te zijn moet je je kelk tot de bodem drinken. Breng je het er de ene keer goed af, ben je een andere keer lafhartig, een derde keer zal de kelk je worden gepresenteerd” (De kern van de zaak), want de werkelijkheid heeft dít op ons voor: zij is concreet en vasthoudend. In heel onze stoffelijkheid zijn wij, duivels, per slot van rekening een louter spirituele bekoring, een droom, een lelijke droom.
Ook dat heeft Greene goed gesnapt. De meest satanische figuur uit zijn geschriften is wel Pinkie, de jongen in Brighton Rock, die maagdelijk in het huwelijk stapt. Een toonbeeld van deugd die de vleselijke hartstochten veracht, die de zuiverheid zelf is, een vergeestelijkte die er na de eerste huwelijksnacht “geen enkel moment aan twijfelde dat hij een doodzonde had begaan, wat hem met een soort lugubre hilariteit en trots vervulde. Hij zag zich nu als een volwassen man om wie de engelen weenden” (Brighton Rock). Die zuivere trots is de duivel in hem, die hem door de verachting voor het vlees, het mens-zijn doet haten. Zijn gevoel van afkeer is iets habitueels, hij staat ermee op, maar toch kent hij geen rust: zijn vrouw houdt van hem en muziek stoort hem uitermate. Juist omwille van Rose, zijn vrouw, en de muziek kan hij het universum onmogelijk vervloeken, een stem in zijn binnenste (zijn natuur) belet het hem. Uit de afgrond van zijn haat stijgt een woord omhoog: jij haat mij omdat ik ben, jij haat jezelf omdat je bestaat, jezelf kan je verwoesten, maar loochenen dat je bent, dat kun je niet; jij vervloekt mij omdat het je niet gelukt mij uit te schakelen; jij beweert dat ik afwezig ben, maar je doet het met een vreselijk heimwee waaruit juist mijn aanwezigheid blijkt. De redenering van Pinkie – want daar gaat het om – bereikt die diepte, de diepte van de dingen, voorbij de schijnbare zinloosheid van de wereld; zij dringt door tot de stem van een U die hem het zijn schonk en dus van hem houdt. Pinkie beslist niet te luisteren naar die stem. “Het was alsof een hand hem onverwacht uit om het even wat voor een bestaan – in verleden of heden – wegrukte en hem in de leegte van het niets gooide”. In die fractie van een seconde, het moment waarop heel de vrijheid zich afspeelt, beslist Pinkie zelf met zijn zonden in het reine te komen en hij werpt zich van de klif in zee.

Het niets kun je niet afwijzen

Maar de afwijzing is door haar structuur een “nee” tegen een aanbod. Zo zal het ook zijn voor Maurice Bendrix, de protagonist uit Het einde van het spel, die letterlijk door zijn minnares gered zal worden. Haar naam is Sarah. Als zij hem zwaargewond onder het puin ziet liggen bij een nachtelijke luchtaanval op Londen tijdens de Tweede Wereldoorlog, smeekt zij God, in wie zij niet gelooft, de man in leven te houden, en offert in ruil daarvoor haar liefde. Zij zal hem niet meer terugzien. Net zoals Barabbas – de enige mens van wie men met zekerheid kan zeggen dat hij door Christus fysiek van de dood is gered – geen vrede vindt zolang hij de ware oorzaak van zijn voortleven niet helder heeft – zo wordt ook Bendrix gekweld door het teken dat Sarah voor hem is, vooral na haar dood. Zijn laatste gebaar van afwijzing neemt de kwelling niet weg, het verhindert alleen dat de knagende pijn die hem verteert, een zaad van geluk wordt. Maar zijn “nee” staat niet tegenover het niets, of hij het nu wil of niet, heeft het zijn plaats binnen een dialoog en tegenover een U: “Aan het begin heb ik geschreven dat dit een verhaal van haat zou zijn, en terwijl ik hier naast Henry liep (…), schoot mij het enige gebed te binnen dat bij het afschuwelijke klimaat leek te passen: o God, U hebt genoeg gedaan, U hebt mij genoeg afgenomen, ik ben te oud en te moe om te leren beminnen; laat mij in vrede zijn voor altijd” (Het einde van het spel).
De strijd tussen gevoel en rede is dan gewonnen door het gevoel: “Ik ben te oud en de moe” heeft de overhand gekregen op “ik ben”. Zo koestert het cynisme – die beschaafde en geraffineerde vorm van afkeer voor het zijn – de illusie dat het over de liefde zegeviert. Maar beeld je niets in, lieve neef, de ultieme vervloeking van Maurice Bendrix heeft niet belet dat Sarah van hem hield. En dat wist hij maar al te goed.
Wat er ook van zij, lees jij ook maar eens die Graham Greene, zo leer je de Vijand kennen, maar zorg er wel voor dat je je niet laat meeslepen.

Je toegenegen oom Schroefstrik

P.S. [van 'Tempi']: Aangezien Schoefstrik niets heeft dat hem “eigen” is, heeft hij voor deze brief ruimschoots gebruik gemaakt van de ideeën van Charles Moeller.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen