woensdag 29 februari 2012

Mgr. Léonard: "Het moralisme heeft in de Kerk heel vaak schade aangericht"

De aartsbisschop van Mechelen-Brussel, mgr. Léonard, heeft vorig jaar een korte cursus christelijke ethiek geschreven, die nu ook in het Nederlands is uitgebracht: Handelen als christen in leven en wereld (uitg. Halewijn, Antwerpen 2011, isbn 978-90-8528-212-9, prijs 15,00). Het wil de "voornaamste grondslagen en de belangrijkste inspiratiebronnen van [het] christelijk handelen pedagogisch en beknopt voorstellen" (p. 5). Enkele citaten:
[In ons schuilt] een dynamiek die ons onvermijdelijk stuwt naar onze voltooiing. Dat zoeken naar zaligheid hangt niet af van onze vrijheid. Al wat we doen of laten en iedere menselijke handeling is onvermijdelijk gericht op ons geluk. [...] Dat is de eerste paradox: van 'nature' kunnen we slechts helemaal voltooid zijn op 'bovennatuurlijke wijze'. En dit is de tweede: wij mensen zoeken noodzakelijk het geluk, maar dat geluk kan pas gerealiseerd worden als we onze vrijheid gebruiken (pp. 10-11).

De gave Gods komt op de eerste plaats. Dat is het hart van de christelijke ethiek. Het impliceert dat de hele christelijke ethiek begrepen wordt als een antwoord op het gratuite geschenk van God. En dat geschenk bestaat hierin dat God ons, door en in Christus, wil laten delen in zijn intiem leven. [...]
Het hele leven van de christen ontvouwt zich vanuit dat allereerste geschenk van Godswege. Johannes zegt hierover: 'Hierin bestaat de liefde: niet wij hebben God liefgehad, maar Hij heeft ons liefgehad, en Hij heeft zijn Zoon gezonden om onze zonden uit te wissen' (1 Joh. 4, 10). Dat revolutionair perspectief was de godsdiensten en filosofische stelsels van de voorchristelijke oudheid niet bekend, maar kondigt zich als helder aan in het Oude Testament. Dit perspectief keert de opvatting over het morele handelen van de mens radicaal om. Wanneer de klemtoon niet langer ligt op het initiatief van de mens maar op het eerste handelen van God naar de mens toe, bekleedt de moraal niet langer de eerste plaats in het menselijk bestaan. [...]
[De] nieuwe wet van Christus is van een geheel andere orde: zij is de wet van de genade. En dat vertaalt zich op twee manieren: in een ethiek die wezenlijk een antwoord is op het geschenk van Godswege, en in een ethiek waarin de voornaamste deugden niet langer de 'morele' deugden zijn, maar de zogenaamde 'theologale' deugden [geloof, hoop en liefde] (pp. 25-27).

Christen zijn is dus helemaal tegengesteld aan moralisme, d.w.z. de tendens om de zin van het leven eenzijdig te herleiden tot morele inspanning. Een moralisme dat - het mag hier even aangestipt worden - in de Kerk heel vaak schade heeft aangericht en ervoor gezorgd heeft dat men de authentieke moraal uit het oog was verloren. Vanuit christelijk perspectief is er altijd eerst Gods gratuite aanbod. Het eerste dat wij moeten doen, is de hand uitsteken om het geschenk aan te nemen. Pas daarna komt, als antwoord, onze inspanning. Als er al een christelijke 'moraal' bestaat, kan men die dus slechts benaderen langs een omweg. Kort samengevat is het christelijk perspectief vooreerst 'theologaal', wat betekent dat het naar God (Grieks: theos) uitkijkt en dat Hij erin centraal staat. Als men het streven van de mens naar morele volkomenheid in het centrum van de christelijke visie plaatst en bijgevolg het christen-zijn beschouwt als louter ethiek, zou men de originaliteit en de eigenheid van de christelijke kijk op het menselijk bestaan compleet negeren (p. 29).

De democratie functioneeert onvermijdelijk op basis van het meerderheidsstelsel. Dat is een gepaste manier van werken als het gaat over het al of niet aannemen van economische maatregelen in een samenleving. Maar het zou een catastrofe zijn als men met een meerderheidsstemming wiskundige, wetenschappelijke of metafysische waarheden zou willen vastleggen. Nochtans stellen we regelmatig vast hoe men de meest fundamentele parameters van het mens-zijn aan een parlementaire stemming onderwerpt. Zo kent het parlement zichzelf vandaag het recht toe om met meerderheid van stemmen te beslissen over onderwerpen als de zin van seksualiteit, het verschil tussen man en vrouw, de betekenis van het woord 'huwelijk', de metafgysische verhouding van de mens ten aanzien van eindigheid en dood, de kwaliteit van embryo's die het al dan niet verdienen om gerespecteerd te worden, enzovoort.
Zoals vele medeburgers voel ik me gegriefd door de talrijke misbruiken die thans worden begaan binnen ene parlementaire democratie (pp. 64-65).

Het klinkt enigszins paradoxaal, maar de katholieke school is vandaag het slachtoffer van haar eigen succes. Door zijn toenemend maatschappelijk belang werd het katholiek onderwijs na verloop van tijd erkend en gesubsidieerd door de overheid. In ruil moest men controle aanvaarden door de subsidiërende overheid. Die controle had en heeft geen invloed op studiepeil en resultaten. Maar ze zorgde er wel voor dat ook het personeelsstatuut werd opgesteld door de overheid, met puur objectieve regels voor de rekrutering en reaffectatie van leerkrachten. Daardoor beschikken katholieke schooldirecteis over beperkte manoeuvreerruimte om personeel aan te werven dat zich met overtuiging en deskundigheid wil scharen achter het katholieke project van de school.
Als de directeur of directrice dat wenst natuurlijk! Want na Vaticanum II en mei '68 heeft de secularisatie zich doorgezet. De christelijke identiteit van de katholieke school is soms uitgevlakt, wat trouwens bij veel christelijke instellingen en organisaties het geval is. Heel wat pedagogische projecten van scholen verbergen hun christelijke identiteit achter uitdrukkingen die ook door de meest vrijzinnige scholen onderschreven worden: solidariteit, verdraagzaamheid, broederlijkheid, openstaan voor verschillen, opvangen van de zwaksten, enz. Het valt uiteraard toe te juichen dat een school dergelijke waarden in praktijk brengt. [...]
Maar is met zo'n identiteit, die even vaag is als edelmoedig, het verfijnde parfum van het evangelie niet vervluchtigd, om plaats te maken voor een weliswaar aangenaam maar toch banaal geurtje? Krijgt Jezus zelf nog wel alle kansen in zo'n school? Sommige scholen presteren het zichzelf 'christelijk' te noemen, zonder dat Christus in de loop van het scholjaar d ekans krijgt leerkrachten of leerlingen te ontmoeten (of omgekeerd) (pp. 86-87).

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen