maandag 16 juli 2012

De ontdekking van don Juan (4)

de abt
En men moet spreken tot de Eeuwigheid met kostbare en duidelijke lettergrepen, zelfs ’s nachts, wanneer haar liefde ons bij de keel grijpt als een moordenaar.
Weet ook dat het iets uitmuntends is je te houden aan het geordende woord, granieten dijk voor de grote bittere wateren van je liefde! Want het gebed moet vasten zijn, alvorens banket te worden, en naaktheid van het hart, alvorens mantel van de hemel, gonzend van werelden, te zijn. Misschien komt er een dag waarop God je toestaat brutaalweg, als een bijl, in het vlees van de boom te dringen, en dwaas, als een steen, de nacht van het water in te vallen, en als vuur, zingend het hart van het metaal binnen te glijden. En op die dag zul je weten van welk vlees de wereld gemaakt is, en zul je vrij spreken tot de ziel van de wereld van de Boom, van het Water en van het Metaal, en zul je tot haar spreken met de stem van de wind en van de regen en van de verliefde vrouw!
O mijn zoon!, talloze keren heeft een mens geschreeuwd, niet plat op de grond, maar kaarsrecht voor God!, Hem zijn liefde vol in het gezicht blazend, als een brand in een bos of in een grote stad, en de Heer lachte omdat de Engelen bang waren. Dit alles kan op een dag best gebeuren, wanneer de slang, mijn dierbare kind, zijn huid gewisseld heeft. Maar je moet bij het begin beginnen: daar gaat het om. Op de steen bijten en blaffen: Heer, Heer, Heer!, is huilend een harteloze vrouw dienen. Dat moet je laten aan de bedrogenen die een nacht, of zes maanden, of tien jaren zuchten.
Het leven is lang hier.
Je zult je er dus voor hoeden gebeden te bedenken. Je zult nederig zingen met het boek van de armen van geest. En je zult wachten.
Uit de laatste vonk van de nacht van je waanzin zal de eerste dageraad te voorschijn komen!
De krater van het hart brult en dondert en het zwarte braaksel scheurt de wolk open en valt dan in grijze hongersnood terug op het veld en de wijngaard. En zo is het verwoestende gebed van de hartstocht. Maar wanneer het hart is ingeslapen in de balsem van de jaren, wanneer het vlees dood is en wanneer het bloed is verbleekt en wanneer het merg is uitgedroogd, en wanneer de vroegere liefde en wanneer het vroegere verdriet, wanneer de liefde en het verdriet en de haat schimmen geworden zijn waarin het zwaard wegzinkt als in water en waarin de lip geen pijn meer doet dan aan haar eigen wondje, zoals in de stoom van het glas, dàn spreekt men tot God niet meer over zichzelf en over zijn armzalige ongeluk, maar over de mens, en over het schuim, en over de sabel, en over de wind en de regen! Weet je welke heilige gezegd heeft: Dat is mijn broeder de wind, dat is mijn zuster de regen?
O mijn kind! Als je wist wat voor dingen de mens tot God weet te zeggen wanneer het vlees van de mens roep wordt, roep van God die zichzelf aanbidt!
(uit het 'Vierde tafereel' van: Oscar Vladislas Milosz, Miguel Mañara, vertaald door uw bloghouder, uitg. Stichting Levende Mens, Leiden 2012, 66 blz., isbn 9789081695008, prijs € 17,95)

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen