maandag 21 januari 2013

"Als de paus geen enkele autoriteit voor je vertegenwoordigt, zou je daar toch schouderophalend en hoofdschuddend aan voorbij kunnen gaan"

Niet oninteressant artikel van Sander van Walsum, chef van de opinieredactie van de Volkskrant.
Waarom maakt men zich in 2013 nog zo druk om wat de toch al lang achterhaalde katholieke Kerk zegt?
Misschien heeft het hier mee te maken:
In zijn aantekeningen voor De demonen zegt Dostojevski: “Het geloof kan herleid worden tot dit beangstigende probleem: kan een erudiete mens, een Europeaan van onze tijd, geloven, echt geloven, in de godheid van de zoon van God, Jezus Christus?” Op het niveau van een dergelijke vraag speelt de religieuze problematiek zich voortaan af: in ieder geval, voor elk individu dat dit nieuws heeft vernomen, poneert het simpele feit dat er ook maar een enkele mens zou zijn die verklaart: “God is mens geworden”, een radicaal en niet weg te denken probleem voor het religieuze leven van de mensheid.
Kierkegaard noteert in zijn Dagboek: “Menselijk gesproken is er geen groter schandaal dan het onopgelost laten van heel het probleem rond Christus. De waarheid is dat men het christelijk gebod: ‘jij moet’, totaal heeft vergeten. Dat het christelijk geloof je verkondigd is, betekent dat jij een standpunt ten aanzien van Christus moet innemen. Hij, of het feit dat Hij bestaat, of het feit dat Hij bestaan heeft, is de beslissing van heel het bestaan”. Bepaalde oproepen zijn zo radicaal, dat de mens die ze heeft vernomen, wil hij als mens handelen, ze onmogelijk kan uitschakelen of censureren. Hij kan niet anders dan ja of nee zeggen. Het feit dat het nieuws van een mens die verklaard heeft “Ik ben God” hem heeft bereikt, kan een mens niet onverschillig laten; hij zal moeten proberen tot de overtuiging te komen dat dit bericht waar is, of vals. Een mens kan niet passief accepteren dat hij wordt afgebracht, afgeleid van een probleem van dit soort; het is in die zin dat Kierkegaard het woord “schandaal” gebruikt, volgens zijn Griekse etymologie: skandalon = beletsel.
De mens die zich meteen of langzamerhand zou laten wegleiden van de mogelijkheid om zich een persoonlijke mening te vormen over het probleem van Christus, zou zichzelf beletten mens te zijn. Terloops zou ik willen aanstippen dat men ervan overtuigd kan zijn een christelijk leven te leiden, opgenomen als men is in wat ik een “christelijke schare” zou willen noemen, zonder dat men dit probleem werkelijk voor zichzelf heeft opgelost, zonder dat de eigen persoon van dit beletsel werd bevrijd [deze mogelijkheid is in de huidige Nederlandse samenleving sterk gereduceerd -vh].
Een feit heeft iets onvermijdelijks. In zoverre het feit een belangrijke inhoud heeft, zal de mens die eraan voorbijgaat, met de aanhoudende en irrationele verstrooidheid waartoe hij op paradoxale wijze in staat is, in zijn menselijke persoonlijkheid ernstig misvormd worden. Als iemand een bestelwagen bestuurt op een twee meter brede baan en die baan opeens door een aardverschuiving versperd is, zou die chauffeur niet verder kunnen en zou hij alles in het werk moeten stellen om een oplossing te vinden. Hij zou geconfronteerd worden met wat Kierkegaard in de geciteerde tekst een “moeten” noemde, een imperatief, een probleem dat opgelost moet worden.
Welnu, de christelijke imperatief is dat de inhoud van de boodschap zich poneert als een feit. Dit kan nooit voldoende onderstreept worden. Wegens de tweeslachtigheid en de zwakheid ook van de christenen, heeft een verraderlijke culturele oneerlijkheid de verspreiding mogelijk gemaakt van een vaag idee van het christendom als een discours, een doctrine, en bijgevolg misschien een fabel of een moraal. Nee: het is voor alles een feit, een gebeurtenis, een mens die binnengetreden is in het menselijk geslacht.
De imperatief betreft echter ook een ander aspect van het feit: de komst van deze mens is een boodschap die tot op heden is overgeleverd, deze gebeurtenis is tot op heden verkondigd, aangekondigd, als de gebeurtenis van een Aanwezigheid. Dat een mens heeft gezegd: “Ik ben God”, en dat hiernaar verwezen wordt als naar een aanwezig feit, is iets dat op overweldigende wijze een persoonlijke opstelling vergt. Men kan erom glimlachen, men kan besluiten zich er niet mee in te laten; maar dat zal dan betekenen dat men het probleem in negatieve zin heeft willen oplossen, dat men geen acte heeft willen nemen van een voorstel waarvan de termen door geen menselijke verbeelding overtroffen kunnen worden.
Dit is de reden waarom de maatschappij zo dikwijls niet wil weten van deze verkondiging, ze wil verbannen naar het kerkgebouw, naar het geweten. Wat stoort is juist de perceptie van de enormiteit van de termen van het probleem: dat Hij bestaan heeft of niet bestaan heeft; of beter: vaststellen of niet vaststellen dat Hij is of bestaan heeft; dát is de grootste beslissing van het leven. Geen andere gewichtige keuze die de samenleving kan voorstellen of die de mens kan bedenken, heeft deze waarde. En dit klinkt als iets wat je opgelegd wordt; de inhoud van het christendom bevestigen, lijkt een vorm van despotisme. Maar iets verkondigen wat gebeurd is, hoe groot het ook zijn mag – is dat despotisme? (L. Giussani, Aan de oorsprong van wat het christendom beweert, hoofdstuk 3, paragraaf 3)

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen