donderdag 30 mei 2013

"Omdat een meerderheid altijd gelijk kan KRIJGEN, denkt de meerderheid dat ze ook altijd gelijk HEEFT"

Lezenswaardige bijdrage van Gert-Jan Segers (CU) aan het debat over de 'weigerambtenaar':
Voorzitter, de grote vraag bij dit debat is: kunnen wij nog leven met verschillen? Zijn wij in staat om te leven en te laten leven? John Stuart Mill, de filosoof die in Groot-Brittannië een paar jaar geleden is verkozen tot de ‘grootste liberaal aller tijden’ had een scherpe diagnose van ons, mensen. Hij schreef: ‘De mensheid is al gauw niet meer in staat om zich verscheidenheid voor te stellen, als zij er gedurende enige tijd niet meer aan gewend is die te ontmoeten’.
Een gebrek aan zichtbare en merkbare verscheidenheid, het niet meer ontmoeten van die verscheidenheid, kan heel snel leiden tot wat je de democratische luiheid van de meerderheid zou kunnen noemen. Die democratische luiheid is van alle meerderheden, van alle tijden en alle plaatsen. Toen Nederland in meerderheid protestants was, viel het niet mee om katholieken dezelfde vrijheid te geven als de protestantse meerderheid had. De islamitische meerderheid in het huidige Egypte heeft moeite om de christelijke minderheid dezelfde rechten te geven als moslims daar hebben. En hoe groter de meerderheid, hoe groter de democratische luiheid en hoe vanzelfsprekender de inperking van vrijheden van minderheden. Omdat een meerderheid altijd gelijk kan krijgen, denkt de meerderheid dat ze ook altijd gelijk heeft. Maar het is juist de onderdrukking van die reflex die de kwaliteit van de rechtsstaat bepaalt en het is aan het geven van vrijheid aan minderheden waarin de mate van vrijheid is af te lezen. De omgang met minderheden en met afwijkende opvattingen is de democratische lakmoesproef.
John Stuart Mill was radicaal in zijn keus voor de vrijheid van de kleinst mogelijke minderheid. Hij schreef: ‘Als de gehele mensheid met één uitzondering dezelfde mening had, terwijl die ene persoon een tegengestelde opvatting koesterde, dan zou de mensheid even weinig recht hebben om die ene persoon tot zwijgen te brengen dan hij zou hebben om de mensheid het zwijgen op te leggen, als hij de macht had’.
Voorzitter, we bespreken vandaag een wetsvoorstel dat ongeveer 85 eenlingen wel het zwijgen wil opleggen. Althans, in de functie van ambtenaar van de burgerlijke stand. Het is de meerderheid die zich ergert aan het afwijkende standpunt met betrekking tot het homohuwelijk. En het is de meerderheid die de ruimte die er 13 jaar geleden wel was voor die enkele gewetensbezwaarde ambtenaren nu ongedaan wil maken.
Bij de behandeling van het wetsvoorstel dat in 2000 het homohuwelijk mogelijk maakte, markeerde de toenmalige PvdA-staatssecretaris Cohen die vrijheid nog wel. Hij zei toen dat hij zich ‘buitengewoon goed kon voorstellen dat die gewetensbezwaren er waren.’ Hij zei toen daarover het volgende: “Ik benader het probleem in die zin dat ik vind, dat in iedere gemeente van Nederland een huwelijk in de zin van de wet gesloten moet worden. Dat moet gewaarborgd zijn en als op die manier de wet wordt uitgevoerd, ben ik tevreden.”
Dit tot opluchting van het toenmalige GroenLinks-Kamerlid Halsema: 'Ik ben blij dat de staatssecretaris zijn standpunt heeft verzacht. Ook GroenLinks vindt dat ruimhartig moet worden omgegaan met ambtenaren die principiële of religieuze bezwaren hebben tegen het huwelijk van homoseksuelen'. En ze voegde er aan toe: 'De tolerantie en gelijkberechtiging die ik bepleit, hebben als logische keerzijde dat ik religieuze andersdenkendheid respecteer.'
Voorzitter, dat was de tolerantie van 2000 en dat is niet de tolerantie van 2013. En de ambtenaar met gewetensbezwaren van het jaar 2000 heet in 2013 een weigerambtenaar. Zie daar de vooruitgang in onze omgang met mensen met een standpunt dat afwijkt van de meerderheid.
Deze verandering viel ook Trouw-journalist Gerbert van Loenen op, zelf samenwonend homo. In een artikel over tolerantie en homoseksualiteit beschrijft hij zijn vrees voor een meerderheid die voorschrijft welke opvattingen zijn toegestaan en welke niet. Hij schrijft: “Dan krijgen we een overheid die schedels licht om te kijken of er het juiste gedachtengoed in zit. En zo niet, dan komt er 'voorlichting' om het brein te zuiveren. (..) Nederland is ruimdenkend, en daarom is er alleen plaats voor mensen met de juiste denkbeelden.” Aldus Van Loenen. En met deze analyse had John Stuart Mill het zomaar eens kunnen zijn.
Voorzitter, naar de maatstaven van Job Cohen en Femke Halsema uit 2000 en die van de Raad van State van nu is er geen probleem. Ieder aanstaand echtpaar in Nederland kan zich beroepen op de wet en heeft de garantie dat hun huwelijk voltrokken kan worden. Dat kan op dit moment, in elke gemeente in Nederland, voor alle Nederlanders. Bij de VNG zijn geen situaties bekend waarbij een huwelijk werd gefrustreerd door de aanwezigheid van een gewetensbezwaarde trouwambtenaar. Ons land heeft een mooie traditie van tolerantie waardoor we inderdaad kunnen leven met verschil, ook in het ambtenarenapparaat. Die 85 gewetensbezwaarde trouwambtenaren die op dit moment nog in dienst zijn bij de overheid werken ook bij de gratie van die lange traditie van tolerantie.
In die traditie hadden we eerder een zelfs wettelijke ruimte voor mensen met gewetensbezwaren tegen de leerplicht en tegen militaire dienstplicht. We hadden eerder wettelijke erkenning van een beroep op gewetensbezwaren bij de verzekeringsplicht en inentingsplicht. In de jaren '80 ontstond ook de erkenning dat in de verhouding tussen werkgever en werknemer gewetensbezwaren aan de orde kunnen komen (SER/De Koning). In die traditie staat de ruimte voor de gewetensbezwaarde ambtenaar. En juist vanwege die traditie bepleit ook de Raad van State een pragmatische oplossing.
Voor alle helderheid, het hebben van gewetensbezwaren is voor de fractie van de ChristenUnie geen recht. Wij bepleiten dus ook geen wettelijke erkenning, dat zou ook niet passen. Maar dat betekent dat omgekeerd het dus ook niet zomaar wettelijk kan worden ingetrokken. Een gewetensbezwaar is een moreel gekarakteriseerde aanspraak van een goede werknemer, richting een goede werkgever, met de vraag er in redelijkheid en billijkheid rekening mee te houden. Dat levert een grijze zone op, een ruimte voor werkgever en werknemer waarin bezwaren kunnen worden getoetst en waar samen naar een oplossing kan worden gezocht. En omdat gewetensbezwaren kunnen verschillen en in steeds andere contexten kunnen opkomen, is het onwenselijk en zeer riskant om dit ene bezwaar eruit te lichten en onmogelijk te maken.
In diezelfde lijn adviseerde ook Professor Kees Schuyt al eerder om de kwestie van de gewetensbezwaarde ambtenaar niet op de spits te drijven. Er zou geen gebod moeten komen die gewetensbezwaarden tot medewerking dwingt, terwijl er andersom geen superieur geweten kan worden geclaimd. Maak hier nu geen prestigestrijd van, schrijft Schuyt. Of om het met de wijsheid van Prediker uit de Bijbel te zeggen: wees niet al te rechtvaardig. Trek niet de uiterste consequentie uit een ijzeren logica. Laat die grijze ruimte tussen werkgevers en werknemers open, laat de grijze ruimte open waarin niet helemaal duidelijk is waar godsdienstvrijheid ophoudt en het non-discriminatiebeginsel begint. En als het onoverkomelijk wordt, hebben we een rechter die van geval tot geval helderheid kan verschaffen. Ik zou de indieners willen vragen of zij dat vonnis van die rechter wantrouwen? Of een gebrek aan vertrouwen in de rechterlijke macht hen parten speelt? Want de weg naar de rechter staat toch open voor iedereen die van mening is dat hij gediscrimineerd wordt?
Voorzitter, de indieners kiezen niet voor de pragmatische route en maken er wel een prestigestrijd van. En als je in de meerderheid bent, kun je die winnen. En die willen ze ook winnen omdat ze de huidige situatie van 85 gewetensbezwaarde ambtenaren een misstand vinden. Maar wat is de misstand als iedereen zijn of haar recht kan halen, als elk huwelijk voltrokken kan worden en als geen enkel echtpaar geconfronteerd wordt met een ambtenaar met gewetensbezwaren? Dan is toch de vraag hoe proportioneel dit wetsvoorstel is.
Een ander doel van de indieners is: ‘Herstellen van het vertrouwen in de eed of belofte die ambtenaren van de burgerlijke stand afleggen.’ Mijn vraag is: Bij wie is dat vertrouwen dan verdwenen? Waar zijn de klachten en van wie?
Met een beroep op de scheiding tussen kerk en staat wordt geschermd met een neutrale overheid. Allereerst zou ik willen opmerken dat er geen neutrale overheid bestaat, omdat elke overheid morele oordelen velt op basis van morele overtuigingen. Dus wat wordt precies bedoeld met een neutrale overheid? Wel kunnen we spreken van een onpartijdige overheid die alle burgers voor de wet gelijk behandelt. En dat is niet in het geding.
Daarnaast neemt de overheid ook geen neutrale mensen aan. Die zijn er niet. Wel mensen die onpartijdig kunnen werken. Maar ook mensen die daarbij in sommige gevallen last kunnen hebben van een bezwaard geweten. Dit voorstel maakt inbreuk op de gewetensvrijheid van individuele ambtenaren. Dat doet onvoldoende recht aan de situatie. Er is niet allereerst sprake van de weigering om het huwelijk te sluiten, maar van gewetensnood om mee te werken aan een volstrekt legale handeling, namelijk de wens van twee personen van gelijk geslacht om te huwen. De betrokken ambtenaar zal zich vervolgens, met die gewetensnood, niet in de eerste plaats richten tot degenen die willen trouwen, maar tot zijn werkgever, de gemeente. Dat levert dus geen ‘recht om te weigeren op’. Maar wel een aanspraak van deze ambtenaar naar de gemeente toe, dat deze zijn bezwaar in rede weegt. Dan kan het tot goed werkgeverschap behoren daar een pragmatische oplossing voor te vinden. Of de ambtenaar en zijn werkgever vervolgens in hun onderlinge verhouding op een goede manier hiermee om zijn gegaan, kan de rechter bij geval toetsen. Het wetsvoorstel gaat te gemakkelijk langs de kern van het hebben van een gewetensbezwaar voorbij en duidt het als een recht om te weigeren. Graag een reactie.
Voorzitter, de introductie van het benoembaarheidsvereiste is naar het oordeel van de ChristenUnie-fractie een ondergraving van artikel 3 van de Grondwet, waarin staat dat alle Nederlanders op gelijke voet benoembaar zijn. De Raad van State stelt dat met het benoembaarheidsvereiste personen met godsdienstige of levensbeschouwelijke bedenkingen categorisch worden uitgesloten en dat dat op gespannen voet staat met het genoemde artikel 3. Het laat zien dat als de grijze zone van het overleg tussen werkgever en werknemer tot de laatste millimeter wordt ingekleurd, er onnodig veel spanning komt tussen verschillende grondwettelijke bepalingen. En er dreigt ook een rangorde te ontstaan waarin artikel 1 van de Grondwet als een supergrondrecht gaan fungeren. Ik neem aan dat de indieners dat niet beogen, maar het is wel het resultaat van onder andere deze wet. Graag een reactie.
Voorzitter, de indieners betogen verder dat gewetensbezwaarde ambtenaren bijdragen aan een klimaat van intolerantie. Maar de voorbeelden genoemd worden hebben echter weinig van doen met de bewuste ambtenaren. Integendeel, zou ik zeggen. En als het om bestrijding van homohaat gaat, dan meten we eerder naar de voetbalkantine of naar Amsterdam-West, dan naar die 85 ambtenaren die hun gewetensbezwaren hebben gedeeld in het besloten overleg met hun werkgever. Ook hierop graag een reactie.
In de Toelichting wordt gesteld dat godsdiensten niet altijd even tolerant zijn. Dat is een nogal ongedefinieerde uitspraak. Op welke godsdienst en op welke gelovigen doelen de indieners? Wordt bedoeld dat alle gelovigen soms intolerant zijn, of dat sommige gelovigen altijd intolerant zijn, of dat sommige gelovigen soms intolerant zijn? Of is er nog een verschil tussen de ene religie en de andere? Het is misschien goed dat de indieners kennis nemen van die geleerden die juist het tegenovergestelde laten zien. Dat geloof juist tot tolerantie leidt. John Locke, om maar iemand te noemen, was een pleitbezorger voor tolerantie en vrijheid, niet ondanks zijn geloof, maar vanwege zijn geloof. Desgewenst kan ik de indieners een nadere literatuurlijst overhandigen.
En het zou ook goed zijn om te erkennen dat alle overtuigingen intolerant kunnen zijn.
Voorzitter. Kunnen wij leven met verschil? Dat is de grote vraag, juist in een tijd waarin die verschillen eerder groter worden dan kleiner. Dan helpt het niet om zichtbare verschillen te verbieden, of achter de voordeur te stoppen. Dat kweekt zelfs democratische luiheid en versterkt het onvermogen om met verschillen om te gaan. Democraat ben je niet omdat je jezelf zo noemt. Democraat word je ook niet als je iedere keer een minderheid dwars kunt zitten omdat je toevallig in de meerderheid bent. Democraat word je als je, in navolging van John Stuart Mill, de verscheidenheid niet schuwt en de ruimte openlaat om grondig van elkaar van mening te verschillen. En democraat ben je als je in staat bent om de ruimte van een minderheid in te perken en besluit om het toch niet te doen.
In dat licht is deze wet alles behalve winst voor onze samenleving.
Zie ook ons eerdere Vage religie bevordert fanatisme.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen