donderdag 11 februari 2010

Wat is volmaaktheid?

Het idee dat we hebben van volmaaktheid - namelijk dat van coherent gedrag - is een grote handicap voor ons op-weg-zijn. Door dat idee waggelt de mens tussen een houding van aanmatiging aan de ene kant en wanhoop aan de andere. De wanhoop is vervolgens het beste alibi om je verder alleen nog met je eigen zaakjes bezig te houden, vanaf de leeftijd van tien jaar (want daarvóór gehoorzaam je) tot tachtig (wanneer je wel weer moet gaan gehoorzamen omdat je niets meer zelf kunt). [...]
Het woord volmaaktheid lijkt morele coherentie te impliceren, lijkt in te houden dat je coherent moet leven. [...] Maar wie is in staat tot een coherent leven? Dit laatste is de scherpste intuïtie van de grote toneelschrijver Ibsen, [wanneer hij Brand laat ontdekken dat de mens] niet in staat is een enkele volmaakte handeling, één enkele helemaal coherente handeling te verrichten. En dus neemt hij maar genoegen met een benadering en verlaagt hij het ideaal tot dat waartoe hij zelf in staat is, d.w.z. rechtvaardigt hij zich; ofwel hij wordt wanhopig: en aangezien het weinig zin heeft je voor je hoofd te schieten, vertaalt deze wanhoop zich normaal gesproken in: leven zoals iedereen; de algemene wanhoop, de banaliteit van iedereen.
Maar wat is dan volmaaktheid, als het niet het resultaat is van coherent leven? Gewoonlijk denken we dat volmaaktheid het einddoel is van het leven, dat het leven een weg is en de mens naar dit einddoel wandelt en het bereikt - het doel begrepen als het resultaat van de weg -. Maar nee! Het doel is al aanwezig, je hebt het al, het is een "Jij"! En de volmaaktheid is de relatie met deze "Jij". De volmaaktheid is Zacheüs die zich hoort zeggen: "Kom van die boom af!" (Lc 19, 5), toen hij voelde dat Christus naar hem keek en toen hij diens blik omhelsde en diens woord accepteerde. Dat is volmaaktheid. Want volmaaktheid ontstaat existentieel, ontstaat als erkende en aanvaarde relatie met Christus.
Wat is de volmaaktheid van het kind als kind? De band met zijn moeder en zijn vader: zijn volmaaktheid is zijn toebehoren aan vader en moeder en die volmaaktheid wordt persoonlijk als dat toebehoren, dat hem vormt, elementair erkend en aanvaard wordt. De heilige in de Bijbel is niet degene die nooit een fout maakt, maar die door God uitgekozen is en die Hem erkend heeft. Hij is heilig omdat hij uitgekozen is, omdat hij die relatie heeft. Zo is het met Zacheüs, zo met Maria Magdalena en met Simon Petrus, die hem verder verloochende en verried. De volmaaktheid in het kind is zijn toebehoren aan zijn vader en moeder, het is de natuurlijke en onvermijdelijke erkenning en aanvaarding van die relatie. [...]
De tegenwerping die wij zo dikwijls hebben tegen radicaliteit [...] is dus verkeerd, irrelevant. Het is allemaal heel eenvoudig: ik ben gegrepen, ik ben uitgekozen, Christus heeft mij ontmoet, heeft zich op mijn weg geplaatst en me gezegd: "Kom". En dus is er maar één probleem: te zeggen "Ja, ik erken Je", punt. "Maar ik ben kreupel, ik val, ik kan niet goed lopen, ik maak fouten, enzovoorts": voor de essentie van het probleem is dat alles irrelevant.
(Luigi Giussani, Qui e ora, Milaan 2009, pp. 429-431)

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen