donderdag 3 juni 2010

Katholieken in de politiek

Uit de Nota aangaande vraagstukken met betrekking tot de activiteiten en het gedrag van de katholieken op het gebied van de politiek van de Congregatie voor de Geloofsleer, 24 november 2002, nn. 2-4:
Men ziet tegenwoordig een zeker cultureel relativisme; in wezen blijkt daarmee systematisch een ethisch pluralisme te worden verdedigd dat verwording in de hand werkt, verstand en de beginselen van de natuurlijke zedenwet ondermijnt. Deze tendens heeft tot gevolg dat maar al te vaak publiek wordt verklaard dat een dergelijk ethisch pluralisme een voorwaarde zou zijn voor democratie.
Vandaar dat enerzijds de burgers volkomen autonoom willen zijn bij het doen van hun morele keuzes, en van de andere kant de wetgevers zich gedwongen zien deze keuzevrijheid te eerbiedigen. Geheel voorbijgaand aan de beginselen van de natuurlijke zedenleer stellen ze wetten op die veeleer het stempel dragen van bepaalde tijdgebonden culturele of morele trends, als zouden alle opvattingen over het leven volkomen gelijkwaardig zijn. Schijnheilig wijst men tegelijk op de betekenis van verdraagzaamheid, en vraagt men van een groot aantal burgers - waaronder de katholieken - hun aandeel in het maatschappelijk en politieke leven van hun eigen land niet te baseren op een naar hun oordeel juiste opvatting over de mens en het algemeen welzijn; het gaat om een opvatting die zij menen te moeten concretiseren met de wettelijke middelen waarover alle leden van de politieke gemeenschap dankzij het democratisch rechtssysteem kunnen beschikken. De geschiedenis van de twintigste eeuw toont aan hoe terecht een aantal burgers het volkomen oneens is met de relativistische stelling dat er geen in de eigen natuur van de mens zelf gewortelde zedelijke norm zou bestaan. Aan deze zedelijke norm dient iedere opvatting over de mens, over het algemeen welzijn, over de Staat zich te onderwerpen.
Een dergelijk relativisme is iets heel anders dan de legitieme vrijheid van de katholieke burgers om uit de politieke opvattingen die met het geloof en de natuurlijke zedenwet kunnen samengaan, die opvatting te kiezen die volgens hun eigen maatstaven het meest beantwoordt aan de eisen van het algemeen welzijn. Politieke vrijheid berust niet op de relativerende gedachte dat alle opvattingen over het welzijn van de mens even waar en waardevol zouden zijn. Niet daarop berust ze, maar veeleer op het feit dat in de politiek ernaar gestreefd wordt, concreet vorm te geven aan het echte menselijk en maatschappelijk welzijn binnen duidelijk bepaalde historische, geografische, economische, technologische en culturele omstandigheden. De concretisering ervan en de uiteenlopende omstandigheden hebben in het algemeen een veelheid aan opvattingen en oplossingen tot gevolg. Maar die moeten wel moreel aanvaardbaar zijn. Het is niet de taak van de Kerk concrete oplossingen te formuleren - nog minder absoluut geldende oplossingen - voor vraagstukken van tijdelijke aard, die God heeft overgelaten aan het vrij en verantwoordelijk oordeel van ieder individu. Maar als geloof en moraal het vereisen, heeft zij wel het recht en de plicht om over tijdelijke zaken een moreel oordeel uit te spreken. Zoals de christen "de gewettigde onderling verschillende opvattingen over de ordening van het tijdelijke dient te erkennen", moet hij zich ook verzetten tegen een opvatting over pluralisme die de moraal blijkt te relativeren en die schadelijk is voor de democratie zelf. Democratie heeft echte en vaste grondslagen nodig, dat wil zeggen ethische beginselen waaraan niet getornd mag worden, omdat zij in wezen het maatschappelijk leven onderbouwen.
Op het gebied van concrete politieke actie dient te worden opgemerkt dat bepaalde maatschappelijke keuzes een contingent karakter hebben, dat er vaak verschillende manieren zijn om aan eenzelfde fundamentele waarde gestalte te geven of haar te waarborgen, dat bepaalde beginselen, waarvan de theorie over de politiek uitgaat, op uiteenlopende wijze kunnen worden verstaan, en dat heel veel politieke vraagstukken zeer ingewikkeld zijn. Dat verklaart waarom de katholieken in het algemeen uit zoveel partijen kunnen kiezen, wanneer ze actief - met name door de parlementaire vertegenwoordiging - hun recht en plicht willen uitoefenen om hun bijdrage te leveren aan de burgerlijke samenleving in hun land.
Dit alles mag echter niet verward worden met een vaag pluralisme bij de keuze van de zedelijke beginselen en fundamentele waarden waardoor men zich laat leiden. Hoewel er dus een gewettigde veelheid van keuzes is, blijft het grondbeginsel ervan overeind staan, dat namelijk rechtstreeks in verband staat met de christelijke leer over zeden en maatschappij. De katholieke leken zullen hun opvattingen steeds aan deze leer moeten toetsen, willen zij er zeker van zijn dat hun deelname aan de politiek gekenmerkt wordt door consequente verantwoordelijkheid voor de tijdelijke zaken.
De Kerk beseft dat de participatie van de burgers aan de politieke besluitvorming het beste kan gebeuren langs de weg van de democratie, maar alleen in zoverre men daarbij uitgaat van een juiste opvatting over de menselijke persoon. Een katholiek kan op dit punt geen enkel compromis aanvaarden; want anders zou het getuigenis van het christelijk geloof in de wereld worden aangetast, alsmede de eenheid en innerlijke samenhang van de gelovigen zelf. De democratische structuur van een moderne staat zou zeer zwak zijn als de mens erin niet centraal zou staan. Alleen eerbiediging van de mens maakt deelname aan de democratie mogelijk. Zo leert het Tweede Vaticaans Concilie: "voor de bescherming van de rechten van de persoon is het immers een noodzakelijke voorwaarde dat de burgers, hetzij privé hetzij in groepsverband, aan het leven en het bestuur van de staat actief kunnen deelnemen."
De problemen van deze tijd zijn onvergelijkelijk veel ingewikkelder dan die uit de voorbije eeuwen. Door de vorderingen van de wetenschappen heeft men resultaten bereikt die het geweten van mannen en vrouwen aan het wankelen hebben gebracht, en die om oplossingen vragen welke de morele beginselen consequent en volledig intact laten. Maar in plaats daarvan ziet men wetsvoorstellen die de onaantastbaarheid van het menselijk leven willen ondermijnen, en zich niet bekommeren over de vraag wat, met betrekking tot de toekomstige cultuur en sociale verhoudingen, de gevolgen daarvan zullen zijn voor leven en toekomst van de volkeren.
De katholieken mogen en moeten in deze moeilijke situatie hun stem verheffen, en wijzen op de diepste betekenis van het leven en op de verantwoordelijkheid die ieder mens in deze heeft. In de lijn van de vaste leer van de Kerk heeft Johannes Paulus II vele malen herhaald dat zij die direct bij wetgevende arbeid betrokken zijn "de zware en duidelijke verplichting hebben zich te verzetten" tegen iedere wet die een aantasting betekent van het menselijk leven. Zoals voor geen enkele katholiek is het ook voor hen nooit geoorloofd deel te nemen aan een opiniecampagne ten gunste van zulk een wet noch zijn bijval eraan te geven.
De paus zelf heeft dit in de Encycliek Evangelium Vitae geleerd naar aanleiding van het geval dat het niet mogelijk zou zijn een abortuswet die reeds is aangenomen of waarover gestemd gaat worden tegen te houden of geheel ongedaan te maken. Niettemin is het "een parlementslid, wiens persoonlijk absoluut verzet tegen abortus duidelijk en door iedereen gekend is, geoorloofd voorstellen te steunen die bedoeld zijn om de schade van zulk een wet te beperken en zodoende de negatieve gevolgen voor de beschaving en de openbare zedelijkheid te verminderen".
In verband hiermee moet ook worden gezegd dat een goed gevormd christelijk geweten iemand verbiedt, door zijn stem ertoe bij te dragen dat een wet of politiek programma van kracht wordt, waarin de basisbeginselen van geloof en zedenleer ondermijnd worden door daarvan afwijkende of ermee strijdige voorstellen. Het geloof is een onverbrekelijke eenheid, en het is dus niet logisch een bepaald element daaruit los te maken ten koste van de gehele katholieke leer.
Het feit dat iemand zich inzet voor een onderdeel van de sociale leer van Kerk ontslaat hem niet van de verantwoordelijkheid voor het algemeen welzijn. Ook mag een katholiek niet aan anderen de hem toevertrouwde christelijke opdracht willen overdragen, de opdracht namelijk die hij van Jezus Christus' evangelie ontving om de waarheid over de mens en de wereld te verkondigen en concrete gestalte te geven.
Wanneer men in de politiek te maken krijgt met zedelijke beginselen waaraan niet getornd mag worden en die geen uitzondering of compromis toelaten, dan heeft de katholiek een des te duidelijker taak en groter verantwoordelijkheid. Wanneer het gaat om fundamentele en onvervreemdbare ethische beginselen moeten de christenen immers weten dat het gaat om de kern van de zedelijke orde, waarmee heel het welzijn van de mens gemoeid is. Dat is bijvoorbeeld het geval met de burgerlijke wetten aangaande abortus en euthanasie (niet te verwarren met het niet tot alle prijs willen voortzetten van een behandeling, hetgeen ook in moreel opzicht geoorloofd is). Het grondrecht op het leven, vanaf de bevruchting tot aan het natuurlijk einde ervan, moet door deze wetten beschermd worden. Zo moet ook gewezen worden op de plicht de menselijke embryo te eerbiedigen en zijn rechten te beschermen. Op soortgelijke wijze moet de bescherming en goede zorg gewaarborgd blijven voor het gezin, waarvan het monogaam huwelijk tussen twee mensen van verschillend geslacht de grondslag is, en waarvan de eenheid en hechtheid tegenover de moderne echtscheidingswetten beschermd dient te worden: andere samenlevingsvormen mogen er onder geen beding juridisch mee gelijk worden gesteld, of als zodanig wettelijk worden erkend. Ook de vrijheid van de ouders bij de opvoeding van hun kinderen is een onvervreemdbaar recht dat onder meer erkend wordt door de Internationale Verklaringen over de Mensenrechten. Men dient ook te denken aan de maatschappelijke bescherming van minderjarigen en de bevrijding van hen die slachtoffer zijn van moderne vormen van slavernij (zoals drugs en prostitutie). In deze opsomming mag het recht op godsdienstvrijheid niet ontbreken noch het ontwikkelen van een economie die dienstbaar is aan de mens en aan het algemeen welzijn en die sociale gerechtigheid en de beginselen van solidariteit en subsidiariteit respecteert. Dit respect houdt in dat "de rechten en de uitoefening daarvan van alle personen, gezinnen en groeperingen moeten worden erkend, in acht worden genomen en worden bevorderd". Tot slot dient ook over de vrede te worden gesproken. Sommige pacifistische en ideologische opvattingen zijn vaak geneigd, van de vrede een zuiver binnenwereldlijk vraagstuk te maken, terwijl men zich in andere gevallen beperkt tot een beknopt ethisch oordeel met voorbijgaan aan het ingewikkelde karakter van de daarmee samenhangende vraagstukken. Vrede is altijd "het werk van gerechtigheid en de vrucht van de naastenliefde"; ze eist dat geweld en terrorisme radicaal en absoluut worden afgewezen, en vraagt van de politieke leiders dat zij zich bij voortduring en met grote zorg ervoor inzetten."

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen