woensdag 17 augustus 2011

120 jaar Rerum novarum (17): Deel 2. Hoofdstuk 3. De taak der belanghebbenden

ARTIKEL 1 - Georganiseerd kunnen patroons en arbeiders veel bereiken

36. Ten slotte: de patroons en de arbeiders kunnen in deze zaak veel bereiken door middel nl. van die instellingen, die doelmatige steun brengen aan behoeftigen en toenadering bevorderen tussen de beide klassen. Hieronder zijn te rekenen de verenigingen tot onderling hulpbetoon; allerlei fondsen, door particulier initiatief opgericht, waarbij de arbeiders en hun achtergelaten vrouw en kinderen verzekerd zijn, als een plotseling ongeval, ziekte of dood hen treft; vervolgens de patronaten opgericht ter bescherming van jongens, meisjes, jonge mannen en ouderen van dagen. Maar de voornaamste plaats nemen de werkliedenverenigingen in, in wier verband bijna alle overige instellingen zijn opgenomen. Onze voorouders hebben lange tijd genoten van de zegeningen der ambachtsgilden. Niet alleen brachten zij de gildeleden uitstekende voordelen, maar deden ook de ambachten toenemen in luister en ontwikkeling, zoals vele gedenkstukken getuigen. In deze tijd van groter ontwikkeling, nu ook de levensgewoonten veranderd en de eisen van het dagelijks leven verhoogd zijn, moeten natuurlijk de werkliedenverenigingen in overeenstemming gebracht worden met de tegenwoordige behoeften. Het verheugt ons, dat overal zulke organisaties zich vormen, hetzij geheel bestaande uit werklieden, hetzij uit werklieden en patroons tezamen; het is evenwel te wensen, dat zij in aantal en invloed zullen toenemen. Ofschoon wij al meermalen over deze verenigingen hebben gesproken, willen wij toch op deze plaats nogmaals aantonen, dat zij zeer doelmatig zijn en met volle recht zich vormen; verder: hoe zij moeten ingericht zijn en waarin haar werkzaamheden moet bestaan.

ARTIKEL 2 - Van nature zoekt de mens samenwerking met anderen

37. Het bewustzijn van de ongenoegzaamheid zijner krachten drijft en spoort de mens ertoe aan, om hulp te zoeken bij anderen. In de H. Schrift staat geschreven: “Beter is het, dat twee tezamen zijn, dan dat iemand alleen is; want zij hebben het voordeel van hun samenzijn. Als de ene valt, wordt hij door de andere ondersteund. Wee de eenzame! Want als hij valt, heeft hij niemand om hem op te richten” (Eccl. 4, 9-10). En ook dit: “Een broeder, die door zijn broeder geholpen wordt, is als een sterke veste.” Tussen deze verenigingen en de grote burgerlijke maatschappij bestaat een zeer groot verschil, omdat het naaste doel van beide verschillend is. Het doel immers van de burgerlijke maatschappij betreft allen tezamen, omdat het gelegen is in het algemeen welzijn; en de rechtvaardigheid eist, dat allen tezamen en ieder afzonderlijk naar verhouding hieraan deel hebben. Daarom wordt die maatschappij een openbare genoemd, omdat de mensen door middel er van “verbinding met elkaar krijgen tot het vormen van de staatseenheid”. Daartegenover worden de verenigingen, die bij wijze van spreken in haar schoot gevormd worden, als particuliere beschouwd en zijn het ook inderdaad, omdat haar naaste doel is een particulier belang, dat alleen de aangeslotenen betreft: “Een particuliere vereniging is het, als men zich verenigt, om een of andere particuliere zaak te bevorderen, zoals wanneer twee of drie een vennootschap sluiten, om samen handel te drijven.”

ARTIKEL 3 - Zijn natuurlijk recht in deze moet door de staat geëerbiedigd worden, ook waar het godsdienstige verenigingen betreft

38. Ofschoon nu particuliere verenigingen haar bestaan leiden in de staat en als het ware even zo vele delen er van uitmaken, toch kan de staat in het algemeen en uiteraard haar bestaan niet verhinderen. Van nature immers bezit de mens het recht om particuliere verenigingen op te richten; welnu, de staat is ingesteld tot bescherming, niet tot vernietiging van het natuurrecht. En als hij het oprichten van verenigingen onder de burgers zou verbieden, zou hij tegen zichzelf ingaan, omdat de staat zelf evenzeer als de particuliere verenigingen aan hetzelfde beginsel zijn oorsprong ontleent, dat nl. de mens van nature aaneensluiting zoekt.
Soms kunnen zich omstandigheden voordoen, dat de wet met recht dit soort verenigingen verbiedt: wanneer zij bijv. krachtens haar instelling een doel beogen, dat klaarblijkelijk in strijd is met de goede zeden, de rechtvaardigheid of de veiligheid van de staat. In deze gevallen zal de staat het recht hebben de oprichting van die verenigingen te verbieden en eveneens reeds bestaande op te heffen. Evenwel moet hij hier met de grootste omzichtigheid te werk gaan, om geen inbreuk te maken op de rechten der burgers, en onder voorwendsel van het algemeen belang niets vast te stellen, wat strijdig is met de rede. In zoverre immers is men verplicht de wetten te gehoorzamen, als zij overeenstemmen met de gezonde rede en dus met de eeuwige wet Gods. (“De menselijke wet heeft in zoverre kracht van wet, als zij overeenstemt met de gezonde rede, en dan is het ook duidelijk, dat zij een uitvloeisel is van de eeuwige wet. In zoverre zij van de gezonde rede afwijkt, wordt de wet onrechtvaardig genoemd en heeft niet het karakter van een wet, maar veeleer van een zekere gewelddadigheid”).

39. Wij denken hier aan de velerhande genootschappen, congregaties en religieuze orden, die hun ontstaan te danken hadden aan het gezag der Kerk of de vrome zin der christenen; en hoezeer zij de mensheid tot zegen zijn geweest, getuigt tot op onze dagen de geschiedenis. En als men alleen de rede raadpleegt, blijkt het reeds duidelijk, dat deze verenigingen opgericht waren volgens een recht, door de natuur geschonken, daar haar doel zedelijk goed is. In zoverre zij echter de godsdienst raken, staan zij rechtens onder de macht van de Kerk alleen. De staatsoverheid mag zich dus tegenover deze geen enkel recht aanmatigen noch het bestuur ervan aan zich trekken; veeleer is het de plicht van de staat ze te eerbiedigen, in stand te houden en, zo nodig, tegen onrecht te beschermen. Geheel het tegenovergestelde hebben wij vooral in deze tijd zien gebeuren. In vele landen heeft de staat zich vergrepen aan dergelijke verenigingen en onrecht op onrecht gepleegd. Immers hij onderwierp ze geheel aan de bepalingen der burgerlijke wetten, ontnam haar de wettig verkregen rechtspersoonlijkheid en beroofde ze van haar goederen. Recht op deze goederen had de Kerk, hadden de leden afzonderlijk, eveneens zij, die ze voor een bepaald doel bestemd hadden en zij, tot wier steun en leniging ze bestemd waren. Wij kunnen ons dan ook niet weerhouden, ernstig te klagen over deze zo onrechtvaardige en verderfelijke berovingen, te meer, omdat wij zien, dat het bestaan onmogelijk gemaakt wordt van vreedzame en alleszins nuttige verenigingen van katholieken, terwijl men terzelfder tijd luide verkondigt, dat het zeer zeker wettelijk geoorloofd is, zich tot een vereniging aaneen te sluiten en dit verlof met inderdaad kwistige hand wordt verleend aan mensen, die de ondergang van de godsdienst zowel als van de staat beogen.
(Paus Leo XIII, encycliek Rerum novarum. Over kapitaal en arbeid, 15 mei 1891, Deel 2, hoofdstuk 3, artikel 1, 2 en 3)

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen