zaterdag 20 augustus 2011

120 jaar Rerum novarum (20): Deel 2. Hoofdstuk 3. De taak der belanghebbenden

ARTIKEL 8 - De maatschappelijke strijd zal ten gunste van de arbeiders beslecht worden, als zij in sterke en godsdienstige organisaties hun doel nastreven

44. Thans gaat de strijd over het lot der arbeiders; en of deze strijd op redelijke of op andere wijze een oplossing vindt, dat is in beide gevallen een vraag van het hoogste belang voor de staat. Gemakkelijk echter zal de strijd op redelijke wijze door de christelijke arbeiders beslecht worden, als zij, onderling verenigd en met verstandige leiders aan het hoofd, de weg zullen opgaan, die onze vaders en voorouders bewandeld hebben tot groot voordeel èn voor zichzelf èn voor het algemeen. Immers, hoe groot ook in de mens de macht zij van vooroordelen en hartstochten, toch zal, als de boosheid niet geheel het gevoel voor het zedelijk-goede heeft afgestompt, vanzelf de stemming der burgers sympathieker worden jegens hen, die zij hebben leren kennen al werkzaam en bescheiden en van wie het vaststaat, dat zij rechtvaardigheid stellen boven geldelijke gewin, stipte plichtsbetrachting boven alles. Hieruit zal ook dit voordeel volgen, dat met de hoop op inkeer tevens de gelegenheid daartoe zal geboden worden aan die werklieden, die ofwel geheel van het geloof zijn afgedwaald, ofwel leven op een wijze, geheel in strijd met het geloof, dat zij belijden. Meestal toch zien zij in, dat zij door valse voorspiegelingen en schijnbeelden misleid zijn; zij gevoelen immers, hoe onmenselijk zij bij baatzuchtige patroons behandeld worden en hoe zij gewoonlijk niet hoger geschat worden, dan wat zij door hun werk aan winst opbrengen; verder, dat in de verenigingen, waarin zij verstrikt geraakt zijn, in plaats van toegenegenheid en liefde innerlijke tweedracht heerst, de onafscheidelijke gezellin van armoede, die onbeschaamd is en zonder geloof. Hoe vurig zouden velen, gebroken naar de ziel en verzwakt naar het lichaam, uit deze vernederende slavernij zich willen bevrijden, maar zij durven niet, hetzij dan dat menselijk opzicht, hetzij dat vrees voor armoede hen weerhoudt, Welnu voor hen allen kunnen de katholieke verenigingen ontzaglijk veel goeds doen, als zij hen, die aarzelen, uitnodigen in haar boezem oplossing te zoeken voor hun moeilijkheden en als zij degenen, die tot inkeer komen, onder haar hoede en bescherming opnemen.
(Paus Leo XIII, encycliek Rerum novarum. Over kapitaal en arbeid, 15 mei 1891, Deel 2, hoofdstuk 3, artikel 8)

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen