zondag 21 augustus 2011

120 jaar Rerum novarum (21 en slot): Deel 2. Hoofdstuk 4. Besluit

Korte samenvatting van hetgeen de Kerk, de staat en de belanghebbenden moeten doen. Het gewichtige aandeel der christelijke liefde

45. Ziedaar dan, eerbiedwaardige broeders, door wie en op welke wijze met kracht moet gewerkt worden in dit ingewikkeld vraagstuk. – Een ieder gorde zich aan voor de hem wachtende taak en wel zeer spoedig, opdat het kwaad, dat reeds van zo geweldige omvang werd, door trage toepassing der middelen, niet nog ongeneeslijker worde. De overheid in de staat moet erin voorzien door wetten en instellingen; de rijken en patroons moeten hun plichten voor ogen houden; de arbeiders, om wie het gaat, moeten hun doel op redelijke wijze nastreven. En wijl alleen de godsdienst, gelijk wij in het begin zeiden, het kwaad tot de wortel kan uitroeien, moeten allen er diep van doordrongen zijn, dat herstel der christelijke zeden een onmisbare voorwaarde is, zonder welke zelfs de middelen van menselijke wijsheid, die als het doeltreffendst beschouwd worden, heel weinig tot genezing zullen bijdragen.
De Kerk zal het nooit en in geen enkel opzicht aan haar medewerking laten ontbreken en zal des te meer hulp kunnen bieden, naarmate zij vrijer is in haar optreden; mogen vooral zij dit goed begrijpen, wier plicht het is het algemeen welzijn te behartigen. De bedienaren van de godsdienst moeten al hun geestkracht en werkzaamheid ontplooien. Terwijl gij, eerbiedwaardige broeders, hen voorgaat door uw gezagvol woord en voorbeeld, moeten zij de mensen van iedere stand de grote levenswetten van het Evangelie onophoudelijk inprenten en naar best vermogen werken aan het heil der volkeren, vóór alles echter ernaar streven, dat de liefde, de heerseres en koningin aller deugden, bewaard blijve in henzelf en gewekt worde in de harten van anderen, van groten zowel als van kleinen. De zo vurig begeerde redding is immers vooral te verwachten van een grote uitstorting der liefde, der christelijke liefde, die de samenvatting is van alle wetten van het Evangelie, en die, altijd bereid zich op te offeren voor het heil van anderen, de mens het onfeilbare tegengif biedt voor de hovaardij der wereld en ongeregelde eigenliefde, die liefde, wier werking en goddelijke trekken de apostel Paulus met woorden tekent: “De liefde is geduldig, is goedertieren; zij zoekt zichzelve niet; alles duldt zij; alles verduurt zij” (1 Kor. 13, 4-7).

Als onderpand der goddelijke gunsten en als bewijs onzer welwillendheid schenken wij aan ieder uwer, eerbiedwaardige broeders, en aan uw geestelijkheid en gelovigen met innige liefde in de Heer de apostolische zegen.

Gegeven te Rome, bij Sint Pieter, de 15e Mei 1891, in het veertiende jaar van ons pausschap.

Paus Leo XIII
(Paus Leo XIII, encycliek Rerum novarum. Over kapitaal en arbeid, 15 mei 1891, Deel 2, hoofdstuk 4)

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen