vrijdag 9 september 2011

God in Madrid

Hierna de integrale vertaling (Catholica.nl publiceerde al eerder de laatste alinea's) van een artikel van Mario Vargas Llosa, Peruaans schrijver en vorig jaar winnaar van de Nobelprijs voor de Literatuur, in de zeer seculiere Spaanse krant El País van zondag 28 augustus, naar aanleiding van de Wereldjongerendagen. (Dank aan Thérèse voor de vertaling!)
Wat een spektakel, Madrid volgestroomd met honderdduizenden jongeren uit de vijf continenten, gekomen voor de door Benedictus XVI geleide Wereldjongerendagen, die de Spaanse hoofdstad een aantal dagen lang in een overvol Toren van Babel hebben veranderd. Alle rassen, talen, culturen en tradities vermengden zich met elkaar in een gigantisch feest van jongens en meisjes, pubers, studenten en werkende jongeren uit iedere hoek van de wereld, gekomen om te zingen, te dansen, te bidden en te verkondigen dat ze horen bij de katholieke Kerk en “verslaafd” zijn aan de paus (Somos adictos a Benedicto, “Wij zijn verslaafd aan Benedictus”, was een van de meest gehoorde slogans).
Behalve zo’n duizend mensen die op het vliegveld Cuatro Vientos zijn flauwgevallen door de meedogenloze hitte en die medische hulp nodig hadden, zijn er geen grote problemen noch ongelukken geweest. Alles is in vrede, in vreugde en in een vriendschappelijk klimaat verlopen. De inwoners van Madrid hebben de hindernissen die werden veroorzaakt door de enorme menigtes die Cibeles, de Grand Via, Alcalá, de Puerta del Sol, de Plaza de España en de Plaza de Oriente blokkeerden sportief geaccepteerd en de kleine manifestaties tegen de paus door seculieren, anarchisten, atheïsten en katholieke rebellen hebben incidenten van weinig belang veroorzaakt, sommige waren zelfs lachwekkend, zoals die van een groep opgewonden mensen die voorbehoedmiddelen gooiden naar een paar heel jonge meisjes die, bezield door wat Rubén Darío een blinde angst voor de Beëlzebub noemde, met gesloten ogen de rozenkrans baden.
Er zijn twee mogelijke interpretaties van deze gebeurtenis die El País “de grootste samenkomst van katholieken in de geschiedenis van Spanje” genoemd heeft.
De eerste ziet het als een, meer oppervlakkig dan inhoudelijk religieus festival, waar jongeren uit de halve wereld de gelegenheid hebben aangegrepen om te reizen, om zich te vermaken, om nieuwe mensen te ontmoeten en avonturen te beleven: een intense maar voorbijgaande vakantie-ervaring. De tweede interpreteert het als een weerlegging van de voorspellingen van een teruggang van het katholicisme in de wereld van vandaag, als het bewijs dat de Kerk van Christus haar kracht en vitaliteit behoudt, dat het schip van sint Petrus zonder gevaar te lopen de stormen doorstaat die het wilden doen zinken.
Een van die stormen heeft als scenario Spanje, waar Rome en de regering van Rodríguez Zapatero de afgelopen jaren vaak tot botsing zijn gekomen en gespannen relaties onderhouden. Het is dan ook niet toevallig dat Benedictus XVI al diverse malen dit land heeft bezocht: drie keer tijdens zijn pontificaat. Omdat, zo lijkt het, het “katholieke Spanje” niet meer zo katholiek is als vroeger. De statistieken zijn vrij duidelijk. Juli vorig jaar verklaarde tachtig procent van de Spanjaarden katholiek te zijn; een jaar daarna nog maar zeventig procent. Onder de jongeren zegt 51 procent katholiek te zijn, maar slecht 12 procent zegt het eigen geloof constant te praktiseren, terwijl de rest dit slechts sporadisch of om sociale redenen (ter gelegenheid van bruiloften, dopen etc.) doet. De kritiek van de gelovige – praktiserende en niet-praktiserende – jongeren op de Kerk is vooral gericht op het feit dat de kerk tegen voorbehoedmiddelengebruik en de morning-afterpil, tegen de wijding van vrouwen, tegen abortus en tegen homosexualiteit is.
Mijn indruk is dat deze cijfers niet gemanipuleerd zijn, dat ze een werkelijkheid weerspiegelen die – met hogere of lagere percentages – Spanje overstijgt en indicatief is voor wat er in de rest van de wereld met het katholicisme gebeurt. En toch, vanuit mijn optiek is de geleidelijke afname van het aantal gelovigen in de katholieke Kerk, in plaats van symptoom van haar onvermijdelijke teloorgang en uitsterven eerder teken van de vitaliteit en de energie die dat wat van haar overblijft – oftewel tientallen miljoenen mensen – heeft laten zien, vooral tijdens de pontificaten van Johannes Paulus II en van Benedictus XVI.
Het is moeilijk om je twee meer van elkaar verschillende persoonlijkheden voor te stellen dan die van de laatste twee pausen. De eerste was een charismatische leader, iemand die de massa in beweging bracht, een uitzonderlijk spreker, een paus in wie het gevoel, de passie, de sentimenten prevaleerden boven de pure rede.
De huidige paus is een man van ideeën, een intellectueel, wiens natuurlijke omgeving de bibliotheek, de collegezaal en de conferentiezaal is. Zijn verlegenheid tegenover menigtes wordt onvermijdelijk duidelijk in de manier waarop hij zich naar de massa’s richt, alsof hij zich wil rechtvaardigen, bijna alsof hij zich schaamt. Maar deze kwetsbaarheid is verraderlijk, omdat het waarschijnlijk de meest geleerde en intelligente paus is die de Kerk sinds lange tijd heeft gehad, een van de zeldzame pausen wier encyclieken en boeken ook door een agnost zoals ik gelezen kunnen worden zonder te gapen (zijn autobiografie betovert de lezer en zijn werken over Jezus zijn meer dan suggestief). Zijn levensverhaal is vrij curieus. Toen hij jong was, steunde hij de modernisering van de Kerk en heeft hij bijgedragen tot de hervormende geest van het Tweede Vaticaanse Concilie dat bijeengeroepen werd door Johannes XXIII.
Vervolgens heeft hij zich echter richting de conservatieve positie van Johannes Paulus II bewogen, waaraan hij trouw is gebleven tot de dag van vandaag. Misschien was de reden hiervoor de intuïtie of de overtuiging dat de Kerk, als zij ermee door zou zijn gegaan de concessies te doen die haar door de gelovigen, de progressieve herders en theologen werden gevraagd, zij uiteindelijk van binnenuit uiteen zou vallen en, door inwendige strijd en sektarische geschillen, een chaotische, gedesoriënteerde gemeenschap zou worden. De droom van progressieve katholieken om de Kerk een democratisch instituut te doen worden is precies dit, en niets meer: een droom. Geen enkele Kerk zou dat kunnen zijn zonder zichzelf te verzaken en te verdwijnen. Hoe dan ook, ongeacht de theologische context, als we alleen naar de sociale en politieke dimensie van de Kerk kijken is de waarheid dat het katholicisme, ook al neemt het aantal gelovigen af en dunnen de gelederen uit, vandaag te dag meer één, actiever en strijdvaardiger is dan in de jaren waarin het erop leek dat de Kerk op het punt stond te worden verscheurd en zij uiteen leek te vallen door interne, ideologische strijd.
Is dit goed of slecht voor de cultuur van de vrijheid? Als de staat seculier is en zijn onafhankelijkheid bewaart tegenover alle kerken, die – dat is duidelijk – hij moet respecteren en die hij moet toestaan om vrij te handelen, dan is het een goed, omdat een democratische staat niet efficiënt zijn eigen vijanden kan bestrijden – te beginnen bij de corruptie – als zijn instituties niet stevig ondersteund worden door ethische waarden, als in zijn binnenste niet een rijk spiritueel leven bloeit als permanent tegengif tegen de afbrekende en anarchistische krachten die gewoonlijk het gedrag van het individu leiden wanneer het menselijk wezen zich vrij voelt van elke verantwoordelijkheid.
Lange tijd geloofde men dat met de vooruitgang in de kennis en in de democratische cultuur de religie, deze veredelde vorm van bijgeloof, verdwenen zou zijn en dat de wetenschap en de cultuur haar volledig zouden hebben vervangen. Nu weten we dat dit een ander bijgeloof is, een leugen die door de werkelijkheid beetje bij beetje is ontmanteld.
En we weten ook dat de cultuur, vooral nu, niet in staat is om de functie te vervullen die de vrijdenkers van de negentiende eeuw haar, even royaal als naïef, toekenden. Omdat in onze tijd de cultuur niet meer een serieus en diepgaand antwoord is op de grote vragen van de mens over het leven, de dood, het lot en de geschiedenis, zoals zij dat vroeger geprobeerd heeft te zijn en deels gemakkelijk vermaak is geworden en deels een kliek van onbegrijpelijke experts die in hun forten van onbegrijpelijk jargon opgesloten zitten, lichtjaren verwijderd van de gewone sterveling.
De cultuur is niet in staat geweest om de religie te vervangen, en zal dat ook nimmer kunnen, behalve voor kleine minderheden, buiten het grote publiek. De meeste mensen vinden alleen antwoorden – of op zijn minst het gevoel dat er een hogere orde is waarvan zij deel uitmaken en die zin en rust geeft aan hun bestaan – in een bovennatuurlijke werkelijkheid waar filosofie, literatuur en wetenschap geen raad mee weten. En hoe meer de meest briljante intellectuelen ons ervan proberen te overtuigen dat atheïsme de enige logische consequentie is van de kennis en de ervaring die door de geschiedenis van de beschaving zijn opgetast, het idee van het uiteindelijke sterven blijft ondraaglijk voor de gewone mens. Die zal nooit het geloof en de hoop opgeven dat er een leven is na de dood. Zolang ze afziet van politieke macht en haar onafhankelijkheid weet te bewaren, is religie niet alleen geoorloofd, maar ook onmisbaar in een democratische samenleving.
Gelovigen en niet-gelovigen zouden beiden blij moeten zijn met wat er deze dagen is gebeurd in Madrid, waarin God leek te bestaan, het katholicisme voor even de enige ware godsdienst was en wij allemaal als brave kinderen aan de hand van de Heilige Vader optrokken naar het koninkrijk van de hemel.
Mooi artikel, hoewel hier en daar beetje snobistisch van toon; zelf ben ik erg blij tot die 'meeste mensen' en 'gewone mensen' te horen van de op-een-na-laatste alinea. Ik zou zeggen: de echte mensen.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen