dinsdag 16 juli 2013

Van het geloof getuigen

Vertaling van een ingezonden brief van Julián Carrón, President van de Fraterniteit van Gemeenschap en Bevrijding, in het Italiaanse dagblad La Repubblica van 11 juli jl:

Geachte redactie,

Eugenio Scalfari [hoofdredacteur van La Repubblica, -mp] heeft scherp opgemerkt dat het thema van de encycliek van paus Franciscus het “centrale punt [is] van de christelijke leer: wat is het geloof?” En hij sloot zijn hoofdredactioneel commentaar van afgelopen zondag af met een vraag: “Wat is het antwoord, hoogeerwaarde paus?” (La Repubblica, 7 juli 2013). Deze woorden hebben me uitgenodigd de encycliek Lumen fidei te herlezen; en als vanzelf kwam dit beeld waarmee Jezus de zending van zijn volgelingen in de wereld beschrijft, bij me op: “Men steekt geen lamp aan om ze onder de korenmaat te zetten, maar men plaatst ze op de standaard, zodat ze licht geeft voor allen die in huis zijn” (Mt 5, 15).

Wat hadden paus Benedictus en paus Franciscus voor beters kunnen doen om antwoord te geven op die zo wijdverbreide opvatting die het geloof associeert met duisternis, of anders met “een subjectief licht, dat misschien het hart kan verwarmen en individuele mensen kan troosten, maar dat zich niet aan andere mensen kan aanbieden als objectief en gemeenschappelijk licht dat onze levensweg verlicht”, waardoor het uiteindelijk “een sprong in de leegte [wordt], die we nemen bij gebrek aan licht en gedreven door een blind gevoel” (3)?

Op een dergelijke tegenwerping kun je niet met een redenering antwoorden. Het duister verdrijf je niet door over het licht te ‘praten’, maar door een lamp aan te steken. Het duister kan alleen met het licht verslagen worden. Enkel het lichtende getuigenis van het geloof dat het leven van wie het aanvaardt, verlicht, kan antwoorden op een dergelijke tegenwerping.

Zo is het christelijke geloof ontstaan. Zij die Christus ontmoetten, werden geraakt door het licht dat Hij wierp op de werkelijkheid waarin zij zich bevonden. Zozeer dat een van hen, de evangelist Mattheüs, de betekenis van Jezus’ aanwezigheid in de geschiedenis beschrijft met deze woorden, overgenomen uit een profetie van Jesaja: “Het volk dat in de duisternis zat, heeft een groot licht aanschouwd; en over hen die in het land van de schaduw van de dood gezeten waren, over hen is een licht opgegaan” (Mt 4, 16). Voor wie licht wil geven is er geen andere manier dan te ‘stralen’. Jezus zelf vatte zichzelf aldus op: “Als een licht ben Ik in de wereld gekomen, opdat al wie in Mij gelooft, niet in de duisternis blijft” (Joh 12, 46).

De uitdaging waarvoor het christelijk geloof vandaag staat, is niet anders dan die van gisteren. De hedendaagse mens – zo herinnert ons Eliot – probeert wanhopig “uit de inwendige en uitwendige duisternis te ontsnappen door te dromen van systemen, zó volmaakt dat niemand meer goed behoeft te zijn”. Daarom is het lastig een passender beeld te vinden dan dat van de lamp: de gebeurtenis van Christus stelt zich, hier en nu, voor als het enige en onvoorzienbare antwoord op de diepe duisternis waarin de mens van vandaag zich machteloos wentelt.

Tegenover het getuigenis van de twee Pausen dat in deze pagina’s besloten ligt, kan eenieder dus oordelen of het christelijk geloof  “de reikwijdte van het menselijke bestaan” beknot, zoals Nietzsche meende, doordat het de mens ervan weerhoudt “zich stoutmoedig te begeven op het gebied van de kennis” (2),  met zijn vermogen de waarheid te onderzoeken, ofwel het juist “een rijkdom is voor het menselijke bestaan in al zijn dimensies” (6), het tot een werkelijk menselijk, persoonlijk en hartstochtelijk avontuur maakt, door te laten zien dat “het menselijk licht, wanneer de mens tot [Christus] nadert, niet wordt opgelost in de verblindend heldere oneindigheid van God, zoals een ster verbleekt in de morgenscheme­ring” (35). Zeker, om de uitdaging die hun getuigenis inhoudt, aan te gaan, is er openheid van de rede nodig, die alleen in de liefde mogelijk is, in een werkelijke genegenheid voor zichzelf. Want alleen wie bemind wordt en, daarom, werkelijk zichzelf bemint, kan geïnteresseerd zijn in de waarheid en juicht wanneer hij op zijn levensweg een straal van haar licht ontwaart.

Met hun getuigenis roepen Benedictus XVI en paus Franciscus ons allen – die de gave van het geloof ontvangen hebben – op tot de taak die ons in de wereld is toevertrouwd: het licht van Christus te laten stralen op onze gezichten. “Het geloof wordt [...] middels het inter-persoonlijk contact doorgegeven, zoals de ene vlam door de andere wordt aangesto­ken” (37). Allen begrijpen we wat een verantwoordelijkheid een dergelijke opdracht met zich meebrengt: we zullen enkel in staat zijn die te vervullen als wijzelf in de eerste plaats aanvaarden ons constant te laten verlichten door het licht van Christus. Daarom “veronderstelt [de Kerk] het ge­loof [...] nooit als vanzelfsprekend, omdat ze weet dat het een geschenk van God is, dat gevoed en gesterkt moet worden, opdat het de weg kan blijven wijzen” (6).

Eenieder van ons heeft het nodig zich te laten omvormen door de Liefde, “waarvoor hij zich in het geloof opengesteld heeft. In dit zich-open-stellen voor deze liefde die hem wordt aangeboden, krijgt zijn leven een weidsheid die hem overstijgt”. Door te aanvaarden deel te hebben aan het ‘wij’ van de gemeenschap van de Kerk, “breidt zich het ‘ik’ van de gelovige uit, om bewoond te worden door Iemand anders, om in een Ander te leven, en zo verbreedt zich zijn leven in de liefde” (21).
Enkel als zij op hun weg personen aantreffen die, vanwege hun geloof, in staat zijn de uitdagingen van het leven aan te gaan, als ze dus door hen zien hoe relevant het geloof is voor de behoeften van het leven, hoe ten diepste redelijk het dus is, zullen de mensen van onze tijd zich opnieuw kunnen interesseren voor Christus en voor het geloof. Omdat ze zullen zien dat wat de christenen zo anders maakt geen sprookje kan zijn of een mooi gevoel (vgl. 24), maar een feit dat de redenen van het mens-zijn met zich meebrengt. Enkel de uitdaging van dit lichtende en concrete getuigenis kan in staat zijn “het hart [...], de persoonlijke kern van ieder mens” (40) te raken, als het enige dat in staat is op het niveau te zijn van zijn fundamentele behoeften aan waarheid, schoonheid, rechtvaardigheid, geluk. Ja, gisteren net zozeer als vandaag, komt “het geloof [voort] uit een ontmoeting die plaatsvindt in de geschiedenis en onze weg door de tijd verlicht” (38).
Bestel hier de Nederlandse vertaling van de encycliek 'Lumen fidei'.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen