vrijdag 1 juni 2012

Geloof op school is niet iets 'ernaast'

Stukje van uw bloghouder in het Bisdomblad van het bisdom 's-Hertogenbosch: 
Eerst een verontschuldiging voor het feit dat ik de lezers van het Bisdomblad moet vragen even rustig te gaan zitten om ‘mee te denken’. Het thema is eigenlijk veel te omvangrijk voor een kort artikel, maar het is ook te belangrijk om niet van de gelegenheid gebruik te maken toch een schets te wagen.
Wat is een school? Als opvoeden, naar de definitie van Jungmann, [1]  Einführen in die Gesamtwirklichkeit is, binnenleiden in de werkelijkheid als geheel, en als de eerstverantwoordelijken voor deze opvoeding degenen zijn ‘door wie’ een nieuwe persoon de werkelijkheid binnentreedt – de ouders – dan is de school een instantie die, vanaf een bepaalde leeftijd, door de ouders gedelegeerd wordt om dit binnenleiden in de werkelijkheid voort te zetten, te verdiepen, volgens de specifieke factoren (tijd, specialisatie) waarover leraar en school in grotere mate kunnen beschikken.
Omdat de werkelijkheid oneindig groot en ingewikkeld is en je niet alles tegelijk ‘aankunt’, heeft het menselijke kennen haar als het ware opgedeeld: je kunt de werkelijkheid beschouwen onder een natuurkundig, een historisch, een psychologisch aspect enzovoorts. De school leidt de leerling binnen in de werkelijkheid door hem binnen te leiden in bepaalde grote aspecten ervan: scheikunde, muziek, wiskunde, taal. En, zoals ik betoog, filosofie en theologie: geloof. Geloof is dan niet slechts een aspect naast de andere, maar wordt verondersteld voor elk je verdiepen in wat dan ook.
Met ‘geloof’ bedoel ik hier redelijk vertrouwen in een niet-zichtbare, niet-meetbare werkelijkheid. Redelijk omdat het gebaseerd is op een redelijke interpretatie van wel zichtbare tekens van die werkelijkheid. Dat ik mijn moeder geloof (terwijl ik haar persoonlijkheid, haar ‘ik’, zien noch meten kan), is redelijk op grond van de tekens die ik in de loop van de tijd omtrent haar ‘ik’ heb kunnen zien en interpreteren. Geloof met een hoofdletter is de op grond van de interpretatie van tekens redelijke overtuiging dat de grond van de hele werkelijkheid betrouwbaar is, dat het zin heeft het leven aan te pakken omdat het deel is van een uiteindelijk positief geheel, positief ook voor mij persoonlijk.
Geloof in deze zin is voor een opvoeding noodzakelijk, zowel vanuit het gezichtspunt van de jongere als van de opvoeder. Je wordt niet werkelijk binnengeleid in de werkelijkheid als geheel, als je niet wordt binnengeleid in de betekenis ervan. Want waarom zou je uit je bed komen om naar school te gaan, als het uiteindelijk toch allemaal geen zin heeft?
En waarom zou je dan een school maken? In een recent boek laat H. Jansen zien hoe de (westerse) overtuiging dat de werkelijkheid rationeel in elkaar steekt en het dus zin heeft je er wetenschappelijk (‘schools’) in te verdiepen, uiteindelijk een geloofspunt is. ‘Dat het universum redelijk en logisch in elkaar zit, is en blijft een niet-falsifieerbaar denkbeeld […] Ook wie al lang het geloof in het christendom en de leer der kerk achter zich heeft gelaten, blijft (vaak zonder het religieuze karakter ervan te doorzien) in dit onderdeel van de joods-christelijke wereldbeschouwing geloven’.[2] Maar waar dit denkbeeld geen redelijk gestaafde overtuiging meer is maar nog slechts werkt ‘uit inertie’, houdt ze op te motiveren: met name pubers, die van nature gevoelig zijn voor authenticiteit en enthousiasme, raken niet gefascineerd door pure gewoonte.
In de heersende utilitaristische mentaliteit krijgen ‘niet-nuttige vakken’ steeds minder waardering. Utilitaristische opvoeding identificeert betekenis met functionaliteit. Dat kan een tijdlang ‘goed gaan’, in de mate dat de jongere inderdaad volgens de heersende sociaal-economische schema’s functioneel is, maar het kan geen uiteindelijke levensvervulling bieden. Utilitarisme motiveert enige tijd maar dankt tenslotte af.
De ‘niet-nuttige vakken’ echter, voor zover ze nog bestaan, zijn zich vaak niet bewust van hun fundamentele, motiverende taak, en beperken zich ertoe niet ‘een’ overtuigende levensbeschouwing grondig te behandelen en ter verificatie aan te bieden, maar verschillende visies oppervlakkig voor te houden, zonder mogelijkheid tot verificatie; waardoor de jongere de indruk krijgt dat de inhoud van de visie er uiteindelijk niet toe doet, niet verifieerbaar is of, in elk geval, dat zo’n verificatie voor het leven niet van belang is. Met als gevolg: cynisme. Natuurlijk moet geleerd worden dat er ‘vele levensbeschouwingen’ zijn – en dat vergt een verklaring –, maar het rationeel en systematisch ter verificatie voorhouden van de visie die de opvoeder zelf ‘doet leven’ is niet iets wat overgeslagen kan worden zonder grote schade voor de ontwikkeling van de jongere. Het ontwikkelen, samen met levens-zekere volwassenen, van een rationele overtuiging omtrent de uiteindelijke positiviteit van de werkelijkheid als zodanig, is een essentiële factor om zelf stappen te kunnen zetten, creatief te worden, de samenleving op te bouwen.
Het grote probleem van de school van vandaag – en dat geldt ook voor de confessionele – is, kort en pijnlijk uitgedrukt, het cynisme van de docent en, bijgevolg, de we’re here because we’re here-mentaliteit[3] van de scholieren. Dit geldt voor levensbeschouwing, voor wiskunde en voor Frans. Als de docent er niet persoonlijk en redelijk van overtuigd is dat de werkelijkheid uiteindelijk de moeite waard en dus de moeite van het bestuderen waard is, zal hij, hoe hard het ook klinkt, geen overtuigende leraar kunnen zijn, de school geen opvoedingsinstituut. Geloof is voor opvoeding geen optional.


[1] Josef Andreas Jungmann (1889-1975), geciteerd in: Luigi Giussani, Het risico van de opvoeding, uitg. Stichting Levende Mens, Leiden 2011, p. 7.
[2] Hans Jansen, Op, op, ten strijde, Jeruzalem bevrijden, uitg. Van Praag, Amsterdam 2011, p. 298.
[3] We’re here because we’re here: liedje, ontstaan in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog, dat cynisch de totale zinloosheid van de strijd uitdrukte.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen