zaterdag 14 mei 2011

Lex orandi, lex credendi

Gisteren heeft het Vaticaan een Instructie doen uitgaan die het Motu proprio Summorum pontificum van Benedictus XVI van 7 juli 2007 uitwerkt.
Heel kort gezegd 1. staan het Motu proprio en de Instructie het priesters toe de Mis te vieren niet alleen volgens het Missaal van paus Paulus VI van 1970 (de 'gewone' Mis), maar ook volgens het Missaal van paus Johannes XXIII van 1962 (de 'tridentijnse Mis') en 2. vragen ze pastoors om, als gelovigen daarom vragen, ervoor te zorgen dat in de parochie de Mis ook gevierd wordt volgens het Missaal van paus Johannes.

Het waarom van deze stap van de paus blijkt uit het eerste artikel van het Motu proprio:
Missale Romanum a Paulo VI promulgatum ordinaria expressio “Legis orandi” Ecclesiae catholicae ritus latini est. / Het door Paulus VI gepromulgeerde Romeins Missaal is de gewone uitdrukking van de 'Lex orandi' ['Wet van het bidden'] van de katholieke Kerk van de latijnse ritus. / Missale autem Romanum a S. Pio V promulgatum et a B. Ioanne XXIII denuo editum habeatur uti extraordinaria expressio eiusdem “Legis orandi” Ecclesiae et ob venerabilem et antiquum eius usum debito gaudeat honore. / Echter het door de H. Pius V gepromulgeerde en door de Z. Johannes XXIII opnieuw uitgegeven Romeins Missaal beschouwe men als de buitengewone uitdrukking van dezelfde 'Lex orandi' van de Kerk en het geniete omwille van zijn eerbiedwaardige en oude gebruik de gepaste eer. / Hae duae expressiones “legis orandi” Ecclesiae, minime vero inducent in divisionem “legis credendi” Ecclesiae; sunt enim duo usus unici ritus romani. / Deze twee uitdrukkingen van de 'lex orandi' van de Kerk voeren dus in werkelijkheid geenszins tot verdeeldheid van de 'lex credendi' ['wet van het geloven'] van de Kerk; want het zijn twee gebruiken van de ene Romeinse ritus.
Wat betekent dat 'lex orandi' en 'lex credendi'? De eerste die deze termen gebruikte was Kerkvader Prosperus van Aquitanië, begin 5e eeuw. In zijn zogenaamde Indiculus tegen de pelagianen, gaat hij in op de vraag hoe we kunnen weten wat de Kerk precies gelooft.
Praeter has autem beatissimae et Apostolicae Sedis inviolabiles sanctiones, quibus nos piisimi Patres, pestiferae novitatis elatione dejecta, et bonae voluntatis exordia et incrementa probabilium studiorum et in eis usque in finem perseverentiam ad Christi gratiam referre docuerunt, obsecrationum quoque sacerdotalium sacramenta respiciamus, quae ab Apostolis tradita in toto mundo atque in omni Ecclesia catholica uniformiter celebrantur, ut legem credendi lex statuat supplicandi. / Maar benevens deze onaantastbare beslissingen van de heilige en Apostolische Stoel, waarmee onze vrome Vaders, de hoogmoed van deze verpestende nieuwlichterij verworpen, ons geleerd hebben zowel het ontstaan van de goede wil als de toename van de lovenswaardige inspanningen als de volharding erin tot het einde, aan Christus' genade toe te schrijven, kijken we ook eens goed naar de gebeden die de priesters uitspreken; ons overgeleverd door de Apostelen, geschieden die in de hele wereld en in de hele katholieke Kerk in dezelfde vorm, opdat de wet van het gebed de wet van het geloof zou vormen.
Ofwel, om te zien wat de ware leer van de Kerk is, is een van de belangrijkste manieren te kijken naar "hoe in de hele wereld en in de hele katholieke Kerk de door de apostelen overgeleverde eredienst gevierd wordt"; want, zo zegt Prosperus kort en krachtig, "lex supplicandi statuat legem credendi", wat we moeten geloven, wat de Kerk ons leert te geloven, kunnen we begrijpen als we zien hoe de Kerk bidt.
Dit principe - lex orandi, lex credendi - vinden we in de hele traditie van de Kerk. De Kerkvaders verklaren de sacramenten in het kerkgebouw, tijdens de preek, kijkend naar het altaar (mystagogie). Het Tweede Vaticaans Concilie wil een hervorming juist omdat de Latijnse liturgie "in menig opzicht op een fresco leek dat weliswaar onbeschadigd bewaard was, maar door latere vernislagen bijna onzichtbaar. In het missaal, dat de priester volgde in zijn viering, was haar vanaf de oorsprong gegroeide gestalte geheel aanwezig, maar voor de gelovigen was zij verregaand onder privé-devotie en gebedsvormen verborgen. Door de liturgische beweging en definitief door het Tweede Vaticaans Concilie werd het fresco blootgelegd en raakten we althans een moment gefascineerd door de schoonheid van zijn kleuren en figuren" (J. Ratzinger, De geest van de liturgie).
De preken van de huidige paus zijn een groot voorbeeld van de mystagogische methode van catechiseren die de Kerk bij voorkeur gebruikt. Zoals Jezus eerst de voeten van de apostelen wast en vervolgens vraagt: "Weet ge wat ik u gedaan heb?" (Joh 13, 12).
Ook voor een kind vindt de eerste catechese plaats wanneer zijn moeder hem het Wees gegroet en het Onze Vader leert en het leert te knielen voor het tabernakel wanneer je een kerk binnengaat: eerst meebidden en meedoen, dan begrijpen wat je precies bidt. Mens concordet voci ("onze geest stemme in met wat we bidden"), zegt Sint Benedictus, niet andersom.

Lex orandi, lex credendi. De liturgie van de Kerk is de school om haar geloof te leren. "De liturgie is de organische ontwikkeling, in woorden en handelingen, van de sacramentele gebaren waarin God zich aan de mens geeft. Zij is dus de concrete plek waar ons religieuze zintuig, met de grootst mogelijke zekerheid die de mens-op-weg gegeven kan worden, zijn goddelijke Object kan bereiken.
De liturgie is niet alleen de meest persoonlijke ontmoetingsplek met God, maar ze is ook het volmaaktste opvoedingsinstrument voor het religieuze zintuig, de zekerste en volledigste pedagogie die de infantiele en gecompliceerde geest van de mens rijp maakt voor deze mysterieuze ontmoeting.
Verzaken aan een autonome en onafhankelijke zelf-bevestiging, om binnen te gaan in het organische geheel van de gemeenschap; je hele zelf inzetten om de gemeenschap te verrijken met je eigen unieke persoonlijkheid: dat zijn twee fundamentele richtlijnen van de geest van de liturgie" (L. Giussani).

Uit deze eminent pedagogische functie van de liturgie volgt, dat de liturgie gegeven moet zijn, ofwel, negatief gezegd, dat je niet moet experimenteren met de liturgie. Als de liturgie de school van het geloof is, dan kan zij geen laboratorium zijn voor de vrije zelfuitdrukking van de gelovige. Zoals het hoogtepunt van de liturgie, het onbegrijpelijke moment waarop gezegd wordt "Dit is Mijn Lichaam", zuiver gegeven is en vervolgens trouw herhaald, overgeleverd en vervolgens beleefd wordt, zo moet de hele liturgie begrepen worden als een 'geschenk' van de Kerk voor mijn religieuze opvoeding en redding.
Daarom huldigt de Kerk sinds haar aanvang en nog altijd het principe, dat "elke plaatselijke Kerk moet overeenstemmen met de Wereldkerk niet alleen wat de geloofsleer en sacramentele tekenen betreft, maar ook wat betreft de gebruiken die door ononderbroken apostolische traditie universeel zijn overgeleverd. Deze moeten gehandhaafd worden, niet alleen om dwalingen te vermijden, maar ook opdat het geloof in zijn volledigheid kan worden doorgegeven, aangezien de regel van het gebed van de Kerk (lex orandi) overeenstemt met haar geloofsregel (lex credendi)." (Algemene Inleiding Romeins Missaal, n. 397).

Na het Tweede Vaticaans Concilie heeft, zeker in Nederland (maar niet alleen) een weinig aandachtige lezing van het conciliedocument Sacrosanctum Concilium (1963) en waarschijnlijk ook het ontbreken van 'overgangsrecht' tussen het oude Missaal en het nieuwe dat in voorbereiding was, ruimte gegeven aan een experimenteerbeweging met de liturgie die zijn weerga in de Kerkgeschiedenis niet kent. In elk kerkgebouw trof men weer andere gebeden, vormen, liedjes en boekjes aan: "Vandaag lezen we eucharistisch gebed nr. 42". Waar de fragmentatie toenam, nam de kwaliteit natuurlijk af.
Pas toen in 1970 de paus het nieuwe Missaal met de hervormde liturgie uitbracht, was er weer duidelijkheid voor de hele Kerk over de lex orandi en dus de lex credendi.
Maar die zeven (of veel meer; in Nederland werd het Missaal pas in 1979 uitgegeven!) tussenliggende jaren hebben, althans in het Westen, een betreurenswaardig effect gehad op de geest van de liturgie, door de indruk te wekken dat de liturgie een laboratorium is, een plaats voor vrije zelfuitdrukking, van aanpassing aan de Zeitgeist, met of zonder het gezag van de Kerk... niet meer plaats van de ontmoeting met het onuitsprekelijke Mysterie en, als zodanig, levensschool. De liturgie was niet meer gegeven, maar gemaakt (de toen heersende marxistische maakbaarheidsfilosofie heeft hier natuurlijk haar bijdrage aan geleverd).

Dit alles in gedachten houdend begrijpen we beter wat de paus wil. Geen nostalgisch terug-naar-vroeger: de paus schrijft duidelijk dat de novus ordo, de op instigatie van het Concilie 'afgestofte', meer essentiële versie van de Mis, de 'gewone uitdrukking' blijft van de lex orandi, en hij viert zelf ook de Mis volgens deze uitdrukking; maar een nieuw helder voor ogen stellen van de lex orandi als zodanig en haar kenmerken.
De liturgie - die in de Kerk altijd meerdere ritussen naast elkaar gekend heeft - is school en ze is gegeven, kan school zijn omdat ze gegeven is; ze is geen voorwerp van zelfwerkzaamheid.

'Gepaste eer' geven aan de ritus zoals die tot 1962 gevierd werd, bevordert het besef dat de liturgie overgeleverd is, universeel, gegeven, groter dan jijzelf. De overeenkomsten met de nieuwe ritus verdiepen ons besef van traditie en continuïteit. De andere accenten die de ritus legt helpen ons weer iets meer te begrijpen van ons geloof, dat in de loop van de tijd verschillende manieren heeft gevonden om zich biddend uit te drukken, maar waarvan de essentie steeds hetzelfde blijft.

Zelf heb ik, hier in Rusland, door de afgelopen jaren 'gepaste eer' te geven aan de plaatselijke traditionele liturgie, namelijk de byzantijnse, ervaren hoe dat mijn liturgische besef, inclusief de achting voor mijn eigen Latijnse ritus (van de novus ordo) heeft bevorderd.

Geen terug naar af dus, maar de liturgie (weer) de behandeling geven waar ze om vraagt: het gegevene aanvaarden, en erin binnengaan.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen