zondag 15 april 2012

Tot de priesters. Belangrijk

Spraakmakende preek van paus Benedictus XVI tijdens de Chrismawijding (dat is de H. Mis die op de ochtend van Witte Donderdag door de bisschop met al zijn priesters gecelebreerd wordt in de hoofdkerk van het bisdom en waarin de priesters de geloften die ze bij hun wijding gedaan hebben, plechtig hernieuwen). Vertaling van rkdocumenten.nl:
Dierbare broeders en zusters,
Tijdens deze mis gaan onze gedachten naar het ogenblik waarop de Bisschop, door gebed en handoplegging, ons deelgenoten heeft gemaakt in het priesterschap van Jezus Christus, opdat wij "in waarheid aan Hem toegewijd mogen zijn" (Joh. 17, 19), zoals Jezus, in zijn hogepriesterlijk gebed, voor ons aan zijn Vader gevraagd heeft. Hijzelf is de Waarheid. Hij heeft ons toegewijd, Hij is voor altijd aan God toevertrouwd, om vanuit God en onder zijn blik, de mensen te kunnen dienen. Maar zijn wij dan ook gewijd in ons werkelijke leven? Zijn wij mensen die handelen vanuit God en in gemeenschap met Jezus Christus? De Heer komt voor ons staan met deze vraag, en wij staan voor Hem. “Wensen jullie steeds meer verbonden met de Heer Jezus te leven en te zoeken om meer op Hem te gelijken, door aan jullie ik te verzaken, en trouw te zijn aan de geloften verbonden aan de ministeriële taak die jullie met vreugde hebben ontvangen op de dag van de priesterwijding?” Zo zal ik na deze homilie, ieder van u persoonlijk en ook mijzelf daaromtrent bevragen. Deze vraag beoogt twee zaken: wat wordt gevraagd, is een innerlijke band, of beter, een gelijkvormigheid aan Christus, en daartoe een overtreffen van onszelf, een verzaken aan wat onszelf betreft, aan de zo geprezen zelfvervulling. Er wordt ons en aan mij gevraagd dat ik, mijn leven niet voor mezelf opeis, maar dat ik het ter beschikking stel van een andere – van Christus. Dat ik niet vraag: “Wat haal ik eruit voor mij?”, maar integendeel: “wat kan ik Hem geven en zo dus voor de anderen?” Of nog meer concreet: “Hoe moet deze gelijkvormigheid aan Christus – die niet heerst, maar dient, niet neemt, maar geeft – hoe moet zij tot stand komen in een vaak dramatische situatie van de hedendaagse Kerk?” Onlangs heeft een groep priesters uit een Europees land een oproep tot ongehoorzaamheid gepubliceerd, en daarbij werden concrete voorbeelden aangereikt om deze ongehoorzaamheid tot uiting te brengen. Zo vergaand als de onherroepelijke beslissingen van het leergezag te negeren zoals bv. wat betreft de Wijding van vrouwen. Hier omtrent heeft de zalige Paus Johannes-Paulus II op een onherroepelijke wijze verklaart dat de Kerk, in dit opzicht, van Heer geen enkele volmacht heeft gekregen. Is ongehoorzaamheid de weg waarlangs de Kerk vernieuwd kan worden? Wij willen de auteurs van deze oproep geloven, wanneer zij zeggen dat zij bewogen zijn door bezorgdheid voor de Kerk, dat zij overtuigd zijn dat de traagheid van de Instellingen moeten aangepakt worden met drastische middelen om nieuwe wegen te openen – om de Kerk aan het heden aan te passen. Maar is ongehoorzaamheid waarlijk een weg? Kan men in dit alles iets ontdekken van de gelijkvormigheid aan Christus, die de noodzakelijke voorwaarde is voor een ware vernieuwing van de Kerk, of niet eerder een hopeloze opwelling om iets te doen, om de Kerk te veranderen volgens onze eigen ideeën en verlangens?
Maar laat ons het probleem niet te veel vereenvoudigen. Heeft Christus niet de menselijke tradities gecorrigeerd die het woord en de wil van God dreigden te verstikken? Ja, Hij heeft het gedaan, om opnieuw de gehoorzaamheid aan de ware wil van God, aan Zijn steeds gangbaar woord op te wekken. De ware gehoorzaamheid lag Hem nauw aan het hart, tegenover de willekeur van de mens. En laten wij niet vergeten dat Hij de Zoon was, met de bijzondere autoriteit en verantwoordelijkheid de authentieke wil van God te openbaren, om aldus de weg van Gods woord te openen naar de wereld van de heidenen. En ten slotte heeft Hij zijn zending geconcretiseerd door zijn gehoorzaamheid en zijn nederigheid tot aan het Kruis, waardoor zijn zending geloofwaardig werd. Niet mijn wil maar uw wil: precies dit woord openbaart de Zoon, zijn nederigheid samen met zijn godheid, en toont ons de weg.
Laten wij ons nogmaals afvragen: zou men in feite door dergelijke beschouwingen het niet-handelen, de starheid van de traditie in de hand werken? Neen. Wie de geschiedenis van het post conciliaire tijdperk beschouwt, kan de dynamiek van de ware vernieuwing herkennen, die vaak onverwachte vormen kreeg in bewegingen boordevol leven en die bijna de onuitputtelijke levendigheid van de heilige Kerk voelbaar maakt, de aanwezigheid en de doelmatige werking van de Heilige Geest. En wanneer wij kijken naar de personen waaruit de frisheid van deze levensstromen ontsprongen is en verder ontspringt, dan zien wij ook dat voor een nieuwe vruchtbaarheid men mensen nodig heeft vervuld met de vreugde van het geloof, de radicaliteit van de gehoorzaamheid, de dynamiek van de hoop en de kracht van de liefde.
Beste vrienden, het moge duidelijk zijn dat de gelijkvormigheid aan Christus de noodzakelijke voorwaarde en de basis van elke vernieuwing is. Maar de figuur van Christus kan ons misschien te verheven en te groot lijken, om ons met Hem te durven meten. De Heer weet het. En daarom heeft Hij “vertalingen” voorzien in orden van grootte die voor ons meer bereikbaar en dichter bij ons staan. Precies om deze reden heeft Paulus zonder schroom aan zijn gemeenschappen gezegd: “Wees mijn navolgers, maar ik behoor toe aan Christus”. Hij was voor zijn getrouwen een “vertaling” van de levensstijl van Christus, die zij konden zien en waarmee ze konden instemmen. Vanaf Paulus zijn er doorheen de hele geschiedenis, continu dergelijke “vertalingen” geweest van de weg van Jezus in levende historische figuren. Wij priesters, kunnen aan een massa heilige priesters denken die ons zijn voorgegaan om ons de weg te tonen, vanaf Polycarpus van Smyrna en Ignatius van Antiochië, via de grote herders zoals Ambrosius, Augustinus en Gregorius de Grote, tot Ignatius van Loyola, Carolus Borromeus, Jean-Marie Vianney, tot de priesters martelaren van de twintigste eeuw en ten slotte Paus Johannes-Paulus II die, zowel in de actie als in het lijden voor ons een voorbeeld geweest is van de gelijkvormigheid aan Christus, als “gave en Mysterie”. De heiligen tonen ons hoe de vernieuwing werkt en hoe wij ons hiertoe dienstbaar kunnen maken. En zij laten ons ook begrijpen dat God niet toekijkt op grote aantallen en op uitwendige successen, maar dat Hij zijn overwinningen behaalt in het nederige teken van het mosterdzaadje.
Beste vrienden, ik zou nog kort willen stilstaan bij twee sleutelwoorden van de vernieuwing van de priesterlijke geloften, die ons tot nadenken zouden moeten brengen op dit ogenblik van het leven van de Kerk en van ons persoonlijk leven. Vooreerst de herinnering aan het feit dat wij – zoals Paulus het uitdrukt – “beheerders van Gods geheimen” zijn (1 Kor. 4, 1), en dat het “ministerie van onderricht” (munus docendi) op ons rust, wat deel uitmaakt van dit beheer van Gods geheimen, waar hij ons zijn aangezicht en zijn hart toont, om zichzelf aan ons te schenken. Tijdens de bijeenkomst met de Kardinalen, ter gelegenheid van het recent Consistorie, hebben verschillende herders op basis van hun ervaring, gesproken over een godsdienstig analfabetisme dat zich verspreid in onze zo intelligente samenleving. De fundamentele elementen van het geloof, vroeger door ieder kind gekend, zijn nu steeds minder bekend. Maar om ons geloof te beleven en ervan te houden, om God te kunnen liefhebben en dus bekwaam te worden om op de juiste wijze naar Hem te luisteren, moeten wij weten wat Hij ons heeft gezegd: onze rede en ons hart moeten door zijn woord geraakt worden. Het Jaar van het geloof, de herinnering aan de opening van het Tweede Vaticaans Concilie, vijftig jaar geleden, moeten voor ons een gelegenheid zijn om de geloofsboodschap met nieuwe ijver en een nieuwe vreugde te verkondigen. Natuurlijk vinden wij deze op een fundamentele en essentiële wijze in de Heilige Schrift, die wij nooit genoeg kunnen lezen of mediteren. Maar in dit opzicht ervaren wij allen dat wij hulp nodig hebben om deze op een correcte wijze in de huidige tijd door te geven, zodat zij werkelijk ons hart raakt. In eerste instantie vinden wij deze hulp in het woord van de onderwijzende Kerk: de teksten van het Tweede Vaticaans Concilie en de Catechismus van de Katholieke Kerk zijn de essentiële instrumenten die ons op een authentieke wijze aantonen wat de Kerk gelooft vanuit het Woord van God. En natuurlijk maakt ook de schat aan documenten die Paus Johannes Paulus II ons gegeven heeft er deel vanuit, en deze is bijlange na nog niet volledig ontgonnen.
Geheel onze verkondiging moet gespiegeld worden aan het woord van Jezus Christus: “Mijn onderricht is niet het mijne” (Joh. 7, 16). Wij verkondigen geen private theorieën of opinies, maar het geloof van de Kerk waarvan wij de dienaars zijn. Maar natuurlijk wil dit niet zeggen dat ik deze doctrine niet steun met mijn ganse wezen en dat ik er niet sterk in verankerd ben. In deze context komt me steeds het woord van Sint Augustinus voor de geest: “Wat is zo van mij als ikzelf? Wat is zo weinig van mij als ikzelf?” Ik behoor me zelf niet toe en ik word mijzelf precies door het feit dat ik mij overtref en dat door dit overtreffen van mezelf ik er in slaag opgenomen te worden in Christus en in zijn Lichaam dat de Kerk is. Indien wij niet onszelf verkondigen en indien wij innerlijk gans één zijn geworden met Hem, die ons zijn boodschappers heeft genoemd om door het geloof geboetseerd te worden en het te beleven, dan pas zal onze prediking geloofwaardig worden. Ik maak geen publiciteit voor mezelf, maar ik geef mijzelf. Pastoor van Ars was geen geleerde, geen intellectueel, dat weten wij. Maar door zijn verkondiging raakte hij het hart van de mensen, omdat zijn hart zelf werd geraakt.
Het laatste sleutelwoord dat ik nog zou willen oproepen heet:“ijver voor de zielen” (animarum zelus). Het is een uit de mode geraakte uitdrukking die vandaag zo goed als niet meer gebruikt wordt. In sommige kringen wordt het woord 'ziel' zelfs beschouwd als een verboden woord omdat – zegt men – het een dualisme tussen lichaam en ziel zou uitdrukken, dat ten onrechte de mens verdeelt. Zonder twijfel is de mens een eenheid, bestemd met zijn lichaam en ziel voor de eeuwigheid. Maar dat kan niet betekenen dat wij geen ziel meer hebben, een fundamenteel principe dat de eenheid van de mens garandeert in zijn leven en over de dood heen. En als priesters zijn wij natuurlijk bekommerd om gans de mens, en dus ook met zijn fysische behoeften – hongerigen, zieken, daklozen. Niettemin, zijn wij niet enkel bezorgd om het lichaam, maar ook om de noden van zijn ziel: mensen die lijden wegens het schenden van hun recht of door een gebroken liefde; mensen die in de duisternis van wat waarheid is zijn, die lijden door afwezigheid van waarheid en liefde. Wij zijn bekommerd om het heil van de mensen naar lichaam en ziel. En als priesters van Jezus Christus, doen wij dat met toewijding. Nooit mogen de mensen het gevoel hebben dat wij onze arbeidsuren gewetensvol volbrengen, maar dat ervoor en erna wij enkel onszelf toebehoren. Een priester behoort nooit zichzelf toe. De mensen moeten de ijver aanvoelen waarmee wij van het Evangelie van Jezus Christus een geloofwaardig getuigenis brengen. Laten wij de Heer bidden ons te overladen met de vreugde van zijn boodschap, opdat wij zijn waarheid en zijn liefde zouden dienen met een vreugdevolle ijver. Amen.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen