maandag 24 december 2012

"Heeft iemand ons soms iets beloofd? Waarom wachten we dan?"

Geachte redactie,
De moeilijkheden die we het hoofd moeten bieden, van de persoonlijke (werkloosheid, ziekte, menselijke broosheid, existentiële onzekerheid, gedaan of ondergaan kwaad) tot de collectieve (economische crisis, sociale onrust, politieke instabiliteit, internationale onzekerheid), zijn zo indrukwekkend dat ze ons ertoe zouden kunnen brengen het verdwijnen van elke verwachting als onvermijdelijk te beschouwen. En toch blijkt in deze omstandigheden meer dan ooit hoe waar de bekende woorden van Dante zijn: “Er is een goed, dat we allen vaag begrijpen, / waar ’t hart zijn rust in vindt en waar ’t naar hunkert, / en dat dus iedereen poogt te verkrijgen” (Vagevuur, XVII, 127-129).
Maar hoe loyaal moet eenieder van ons zijn om deze verwachting en dit verlangen naar goeds te erkennen! Wat deze erkenning het moeilijkst maakt is de sociale onrust die we met z’n allen met onze medeplichtigheid veroorzaken. “Es scheint, daß uns alles verheimlicht. Siehe, die Bäume sind; die Häuser, die wir bewohnen, bestehn noch. Wir nur ziehen allem vorbei wie ein luftiger Austausch. Und alles ist einig, uns zu verschweigen, halb als Schande vielleicht und halb als unsägliche Hoffnung” (R.M. Rilke). Ieder van ons weet goed hoezeer hij of zij bijdraagt aan dit algemene verzwijgen.
Welk deel van ons zal winnen? Dat wat wacht of dat wat verzwijgt?
Een aanwijzing voor een antwoord geeft ons Cesare Pavese, die als geen ander gevat heeft hoe deze verwachting in ons koppig blijft voortbestaan: “Hoe groots is de gedachte dat we werkelijk nergens recht op hebben. Heeft iemand ons soms iets beloofd? Waarom wachten we dan?” (Dagboek, 21 okt. 1940). Inderdaad, waarom blijven we wachten, ook in de wanhopigste situaties? Waarom slaagt geen enkele persoonlijke nederlaag of historische crisis erin de vonk – hoe onbewust ook – van een verwachting uit elke vezel van ons zijn uit te wissen? Omdat deze verwachting ten diepste ons wezen vormt, zozeer dat ze “zich ook vandaag de dag nog, op velerlei wijzen, opdringt aan het hart van de mens” (Benedictus XVI, 7 nov. 2012). Al wordt het gereduceerd, verwaarloosd of tegengewerkt, ons hart houdt niet op te verlangen.
Niet zelden kan de onmogelijkheid om ons van deze verwachting te ontdoen, een veroordeling lijken. Maar de scherpste geesten zien de ware veroordeling ergens anders. Dezelfde Pavese herinnert er in zijn Leven als ambacht aan dat “wachten nog een bezigheid [is]. Nergens op wachten, dat is verschrikkelijk” (15 sept. 1946). We weten allemaal wat ons leven wordt wanneer we niets meer verwachten: verveling die eindigt in wanhoop en cynisme. Wachten is de structuur van ons zijn. Verwachting is het wezen van ons ik.
Welnu, ondanks deze oorspronkelijke structuur van ons hebben we dikwijls moeite om te hopen. Hoezeer heeft Péguy gelijk wanneer hij eraan herinnert dat “pour espérer, [...] il faut avoir obtenu, reçu une grande grâce” (Le Porche du mystère de la deuxième vertu). Maar welke genade kan op gelijke hoogte staan met de uitdaging en onze hoop ondersteunen tegenover elke eventualiteit van het leven?
Precies op dit niveau komt ons de gebeurtenis tegemoet die we met Kerstmis vieren. De christelijke aankondiging richt zich tot het ik van eenieder van ons en daagt alle scepsis en wantrouwen uit, als onvoorzienbaar antwoord op ons verwond-zijn. Om antwoord te worden dat de mens kan ervaren, heeft het Oneindige een eindige vorm aangenomen. Met Kerstmis wordt de anders onoverbrugbare afstand tussen het eindige en het Oneindige, afgeschaft.
In dit perspectief betekent geloof hebben niet je buigen voor een serie voorschriften, een doctrine bestuderen of deelnemen aan een organisatie: christelijk geloof is het goddelijke erkennen dat aanwezig is in het menselijke, zoals Simon, Maria Magdalena, de Samaritaanse en Zaccheus dat deden, geraakt als ze waren door een aanwezigheid die in hen een onverwacht voorgevoel van een ander leven opwekte. Niet de genezing van de lamme, de melaatse en de blinde trof hen. “Het grootste wonder was Zijn blik die het mens-zijn onthulde en waaraan je je niet kon onttrekken” (L. Giussani).
De Kerk viert Kerstmis opdat ook wij deze omhelzing kunnen ervaren van ons mens-zijn, van dat van mij en dat van jou: voor de vervulling van dat verlangen dat trilt in elke beweging van ons rusteloze hart. Net als tweeduizend jaar geleden maakt ook vandaag de betekenis van het bestaan zich aanwezig middels een menselijke werkelijkheid die je kunt zien en aanraken, binnen een tijd en een ruimte; ze bereikt ons met een onmiskenbaar accent van belofte en van hoop, waaraan we ons kunnen binden, binnen het leven van de Kerk.
Dat is de genade, het nieuwe begin van de wereld, waarvan Benedictus XVI de eerste getuige is: “Terecht: niemand kan de waarheid hebben, de waarheid heeft ons, het is iets levends! Wij zijn niet haar bezitters, maar we zijn door haar gegrepen. God is ons zo nabij gekomen, dat Hijzelf een mens is – dat moet ons steeds opnieuw schokken en verrassen!” (2 sept. 2012).
Zalig Kerstfeest iedereen.

Julián Carrón
President van de Fraterniteit van Gemeenschap en Bevrijding

(Corriere della Sera, 23 december 2012)

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen