woensdag 10 augustus 2011

120 jaar Rerum novarum (10): Deel 2. Hoofdstuk 1. De taak van de Kerk

ARTIKEL 3 - Van de toepassing dezer leer zal de liefde tussen de verschillende maatschappelijke groepen het gevolg zijn

21. Als zij echter aan de voorschriften van het christendom gehoor geven, dan zullen zij niet slechts door vriendschap, maar zelfs – wat heel wat meer is – door broederlijke liefde aan elkaar verbonden zijn. Want zij zullen inzien en begrijpen, dat alle mensen zonder uitzondering door God, hun gemeenschappelijke Vader, geschapen zijn; dat zij allen streven naar één hoogste goed, God zelf, die alleen èn mensen èn engelen geheel en volmaakt gelukkig kan maken; dat eveneens allen gelijkelijk door de genade van Jezus Christus zijn vrijgekocht en hersteld in de waardigheid van kinderen Gods, zodat wij in waarheid met elkander èn met Christus, “de Eerstgeborene onder vele broeders” (Rom. 8, 29), door de band van broederschap worden samengehouden. Dat tevens de goederen der natuur en de gaven der goddelijke genade gemeenschappelijk en zonder onderscheid aan het gehele mensdom behoren en slechts onwaardigen van de erfenis der hemelse goederen worden uitgesloten. “Zijn wij kinderen, dan zijn wij erfgenamen tevens: erfgenamen van God en mede-erfgenamen van Christus” (Rom. 8, 7).
Dit zijn de rechten en de plichten, door de christelijke wijsbegeerte verkondigd. Werden deze in de burgerlijke samenleving onderhouden, zou dan niet zeer spoedig alle strijd zijn beëindigd?

ARTIKEL 4 - Haar activiteit

PARAGRAAF 1 - Door verbreiding van haar leer

22. De Kerk acht het echter niet voldoende de weg te wijzen waarlangs de genezing te vinden is, maar zij dient ook eigenhandig het geneesmiddel toe. Met alle kracht streeft zij ernaar de mensen naar haar voorschriften en leer te vormen en te onderrichten: door de medewerking van bisschoppen en priesters laat zij de heilzame stromen van haar leer overal heen leiden. Vervolgens tracht zij in te werken op het hart der mensen en hun wil gedwee te maken, opdat zij zich door de leer der goddelijke voorschriften laten leiden en besturen. En te dezer zake, die het voornaamste is en van het allerhoogste belang, omdat zij alle belangen en het eigenlijke vraagstuk geheel omvat, is het voorzeker alleen de Kerk, die het meest vermag. De middelen immers, die zij aanwendt, om de harten te bewegen, zijn haar daartoe juist door Jezus Christus geschonken en bezitten in zich een kracht, aan God ontleend. Deze middelen alleen zijn voldoende in staat, om het hart in zijn verborgen diepten te treffen en de mensen te brengen tot gehoorzaamheid aan hun plicht, tot beteugeling van hun driften, tot een buitengewone en volmaakte liefde jegens God en de naaste en tot een moedige verzaking van alles, wat de beoefening der deugd belemmert.
Dit blijkt voldoende als wij ons de voorbeelden der geschiedenis een ogenblijk voor de geest halen. Wij spreken hier van gebeurtenissen en feiten, die boven alle twijfel verheven zijn: de burgerlijke maatschappij immers is door de instellingen van het christendom van de grond af vernieuwd: door de kracht van deze vernieuwing is het mensdom vooruitgegaan, of liever van de dood ten leven gewekt en opgevoerd tot zulk een graad van volmaaktheid, als in het verleden niet bereikt werd, noch in de toekomst bereikt zal worden. Ten slotte: Jezus Christus is van deze zegeningen het begin zowel als het einde: gelijk zij van Hem zijn uitgegaan, zo moeten zij alle tot Hem worden teruggebracht. Immers, toen de wereld het licht van het Evangelie ontvangen had en het groots geheim der menswording van het Woord en der verlossing van het mensendom geleerd had, doordrong het leven van de Godmens Christus de staten en doortrok ze geheel en al met Zijn geloof, Zijn voorschriften en wetten. En daarom, zo de maatschappij genezing zoekt, dan kan zij die alleen vinden in de terugkeer tot het christelijk leven en de christelijke instellingen. Wanneer immers verenigingen in verval geraken, dan wordt terecht voorgeschreven, dat zij haar genezing moeten zoeken in de terugkeer tot haar oorsprong. Want dan is elke vereniging volmaakt, wanneer zij datgene nastreeft en tracht te bereiken, waarvoor zij werd opgericht, zó dat dezelfde oorzaak, die de vereniging deed ontstaan, ook het beginsel blijve van haar streven en handelen als zodanig. Daarom betekent afwijken van de eerste opzet verval, tot die opzet terugkeren genezing. Gelijk van het gehele organisme van de staat, zo ook zeggen wij dit met volle recht van die klasse van burgers, die door arbeid hun levensonderhoud vinden, de klasse die verreweg de meerderheid vormt.
(Paus Leo XIII, encycliek Rerum novarum. Over kapitaal en arbeid, 15 mei 1891, Deel 2, hoofdstuk 1, artikel 3 en artikel 4, paragraaf 1)

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen