maandag 15 oktober 2012

Het leven als roeping

Vertaling van de inleiding van Julián Carrón tijdens de Dag van de opening van het jaar van Gemeenschap en Bevrijding, op 29 september jl. in Milaan:
Julián Carrón: “Wanneer Hij echter komt, de Geest der waarheid, zal Hij u tot de volle waarheid brengen” (Joh 16, 13). Dat is Jezus’ belofte, dat de Heilige Geest ons tot de volle waarheid zal brengen. Waarom is dat nodig? Omdat de waarheid voortdurend gereduceerd dreigt te worden, en wel door de ideologie. Ook wijzelf lopen voortdurend dat risico, in de manier waarop we kijken naar de werkelijkheid en naar onszelf, in de manier waarop we onszelf opvatten, waarop we de christelijke gebeurtenis opvatten, waarop we onze roeping beleven. Deze dingen niet te reduceren, onszelf niet reduceren, dat is een genade waar we om moeten vragen, die we moeten afsmeken van Degene die Christus ons aangewezen heeft: van de Geest. Alleen Hij kan ons tot dat zelf-bewustzijn brengen dat we vandaag de dag bijzonder nodig hebben om te kunnen leven. Daarom beginnen we onze geste met te vragen om de Heilige Geest.

Discendi, Santo Spirito

[Bijdrage van Davide Prosperi]

Julián Carrón: Wat Davide uiteengezet heeft is een getuigenis van wat ‘een weg gaan’ betekent: een samenvatting van het parcours dat we afgelegd hebben, die ons allemaal helpt om het parcours heel bewust in ons geheugen in te prenten, zodat we het niet kwijtraken.
Wat heeft alles wat ons overkomen is en ons voortdurend overkomt, te maken met de dringende noodzaak om te leren zien wat er ‘in’ de omstandigheden zit en we zo dikwijls zo moeizaam zien? Dit is bijzonder urgent omdat, als we niet de ware consistentie van de dingen kunnen herkennen, het heel moeilijk is de weg voor de vervulling van onze menselijke bestemming te doorlopen.


1. Consistentie en omstandigheden

Dat we zo’n moeite hebben om waar te nemen wat er ‘in’ de omstandigheden zit, heeft te maken met de “culturele en sociale hegemonie [die] ertoe neigt het hart te doordringen” (L. Giussani, 1976) van elk van ons. Het is opvallend dat Benedictus XVI – die op dit punt geen concessies doet – in zijn toespraak tot de Italiaanse Bisschoppenconferentie, precies hiermee begon, met te wijzen op deze reductie, die niet zonder gevolgen blijft: “De wetenschappelijke rationaliteit en de technische cultuur neigen er inderdaad niet alleen toe de wereld uniform te maken, maar overschrijden dikwijls hun respectievelijke specifieke terrein, met de pretentie de omtrek van de zekerheden van de rede te kunnen bepalen louter met het empirische criterium van de eigen verworvenheden. Zo gaat de macht van de menselijke vermogens zich uiteindelijk beschouwen als de maat van het handelen […]. Het geestelijke en morele erfgoed waarin het Westen zijn wortels heeft en dat zijn levenssap is, wordt vandaag de dag niet meer begrepen in zijn volle waarde, tot op het punt, dat men zijn waarheidspretentie niet meer vat. Ook vruchtbaar land loopt zo het risico ongastvrije woestijn te worden, en het goede zaad dreigt verstikt en vertrapt te worden en verloren te gaan” (Benedictus XVI, 24 mei 2012).
Maar hoe kan deze reductie van de rede uitgedaagd worden? Ze wordt uitgedaagd door de werkelijkheid, door de omstandigheden, zoals don Giussani ons – houd het steeds voor ogen! – in het tiende hoofdstuk van Het religieuze zintuig aangegeven heeft: de vragen van de rede worden wakker geschud door de botsing met de werkelijkheid. “Het leven is dit weefsel van omstandigheden die, terwijl ze je belagen, je raken en je provoceren (‘provoceren’: daarin zit de stam van het mooiste christelijke woord over het leven: vocatio, ‘roeping’)” (L. Giussani, 1981).
Er zijn talloze getuigenissen hiervan, ik lees er maar een paar:
“Ik ben psychologe in een ziekenhuis, waar ik me bezig houd met zwangerschappen. Een vrouw en een man wilden al heel lang een kind en afgelopen februari raakt ze eindelijk zwanger. Een maand later wordt bij de vrouw een longtumor geconstateerd met uitzaaiingen in grote delen van haar lichaam. Bij de eerste bespreking wordt haar gezegd dat haar overlevingskans nihil is. Haar wordt voorgesteld de zwangerschap te onderbreken. Voordat ik haar persoonlijk leerde kennen, ontmoette ik een gynaecologe die me zei dat ze op de afdeling zo weinig mogelijk in de kamer van die vrouw probeerden te komen omdat het te zwaar was. En een andere arts zei: ‘Ik ga er alleen binnen als het echt moet, want het einde ligt al vast’. De eerste keer dat ik deze vrouw in haar kamer ontmoet, stel ik, zoals ik gewoonlijk doe, de diensten voor die het ziekenhuis aanbiedt; maar ik merk dat ik in verlegenheid ben en blijf maar kort. De keer erna ga ik zo stil mogelijk naar binnen en blijf met haar alleen, ze vertelt me over zichzelf, over de hevige pijn in haar lichaam, over haar moeite om te begrijpen hoe, na een wonder (de zwangerschap die ze zo verlangd had), haar zo’n straf gegeven kan worden (de uitgezaaide tumor). Hoe langer ik voor haar sta, des te minder houdt mijn gewone professionele manier van doen stand; ik vind geen steunpunt meer, terwijl in mij dezelfde vragen naar boven komen als bij haar, dezelfde schreeuw, die ik met me meeneem als ik de kamer verlaat, waar ik begin aan te voelen dat mijn professionele capaciteit hier niet terzake doet, dat er meer is [we denken dat we het redden met onze wetenschappelijke rationaliteit, maar de werkelijkheid dringt, daagt ons uit door dezelfde vragen in ons op te wekken: er is meer!]. Die zwangere en zieke vrouw stelt me, midden in mijn professionele rol, tegenover heel mijn behoeftige mens-zijn”.
De reden waarom de omstandigheden van waarde zijn, is eenvoudig: “God doet niets zomaar” (L. Giussani, 1985). Dat is de enige ware lezing van het werkelijke, van de omstandigheden. Dat is wat anders dan complottheorieën (waar we ons vaak mee bezighouden tot we er moe van worden)! De omstandigheden, of ze nu mooi zijn of lelijk, alle omstandigheden zijn manieren waardoor het Mysterie ons roept. Het zijn niet, zoals we ze dikwijls volgens onze maatstaf (dus volgens ons rationalisme) interpreteren, de tegenvallers die we moeten uithouden. Ze hebben een heel precies doel in het plan van God.
Welk doel?
Dat begrijpen we goed als we uitgaan van de opvatting van de werkelijkheid die don Giussani ons onvermoeibaar heeft doorgegeven en waarvan hij altijd getuigd heeft. Laten we herlezen wat hij zei naar aanleiding van een uitdaging die nog dramatischer was dan die van nu, toen eind jaren zestig de beweging gedecimeerd werd: “In het leven van wie Hij roept, laat God niet toe dat er iets gebeurt, tenzij om degenen die Hij geroepen heeft rijper te maken. Dit geldt allereerst voor het leven van de persoon, maar uiteindelijk en meer nog voor het leven van zijn Kerk, en daarom, analoog, voor het leven van elke gemeenschap […]. God staat nooit toe dat er iets gebeurt, tenzij om ons rijper te maken. Sterker nog [en dit is de test die Giussani voorstelt om na te gaan of we inderdaad rijper zijn geworden], juist uit het vermogen dat eenieder van ons en dat iedere kerkelijke werkelijkheid (gezin, gemeenschap, parochie, Kerk in het algemeen) heeft om datgene wat tegenwerping, vervolging of hoe dan ook moeilijkheid lijkt, te waarderen als weg tot rijping, juist uit het vermogen om deze dingen tot instrument en moment voor onze rijping te maken, blijkt de waarheid van het geloof” (L. Giussani, 1972).
Waarin bestaat dus onze rijpwording? Het is het rijpen van ons zelf-bewustzijn, het ontstaan van een subject dat consistentie heeft temidden van alle wederwaardigheden van het leven. Want de omstandigheden brengen een strijd met zich mee: “Dan is het de strijd die ons wakker houdt, en deze strijd is het normale weefsel van het leven: hij houdt ons wakker, dat wil zeggen hij doet ons bewustzijn rijpen van wat onze consistentie of onze waardigheid is: een Ander” (L. Giussani, 1981). De omstandigheden worden ons dus gegeven opdat in ons het bewustzijn rijpt van wat onze consistentie is, opdat wij ons werkelijk ervan bewust mogen worden dat onze consistentie een Ander is.
Om goed te zien wat de manier is waarop we deze uitdagingen gewoonlijk het hoofd bieden, hoeven we ons maar te vergelijken met het lied dat we zojuist gezongen hebben, Il mio volto [Mijn gezicht] en ons erdoor te laten raken. Want zo’n lied – zo denk ik de laatste tijd vaak – zou vandaag de dag waarschijnlijk door niemand van ons meer geschreven kunnen worden… “Mijn God, ik kijk naar mezelf en ik ontdek / dat ik geen gezicht heb; / ik kijk naar mijn diepte en ik zie duisternis / zonder einde [ga eens na wat wij doen wanneer we de duisternis zonder einde zien, hoe we die het hoofd bieden, hoe we reageren, hoe we ons opwinden, en kijken we dan eens naar wat het lied zegt]. // Alleen als ik merk dat U bestaat, / hoor ik, als een echo, mijn eigen stem weer / en word ik herboren” (A. Mascagni). Hoe dikwijls begint eenieder van ons, tegenover het duisternis, het parcours af te leggen dat dit lied beschrijft? En hoe vaak, daarentegen, komen we bij de duisternis en wringen we ons in allerlei bochten om een bevestiging te vinden buiten onze ervaring, om ons maar ergens aan vast te grijpen? Daarom zeg ik: wie zou vandaag in staat zijn zo’n lied te componeren? Maar stel je nu voor dat elke keer dat je je in het duister bevindt, je zou doen wat het lied zegt: naar de diepte kijken, zonder te blijven staan bij een beperkt gebruik van de rede, tot je het U herkent dat in de diepte van ieder duister is. Wat een zelf-bewustzijn zou je dat iedere keer opleveren! Wat een vermogen om te leven in de waarheid van jezelf: niet voortdurend bepaald te worden door de duisternis, niet voortdurend te hoeven te vluchten voor de duisternis, omdat je daar, in de diepte van de duisternis, in de diepte van het werkelijke, in de diepte van jezelf, ontmoet hebt wat je vormt! En wat is hiervan het teken? Niet dat ik andere gedachten of andere gevoelens heb. Nee! Ik herken het aan een reëel feit: ik word herboren.
Zoals deze brief zegt: “Beste Julián, voor wie volgt, wordt het leven elke dag fascinerender. Elk moment dat ik me bewust word van wie ik ben en van de relatie met de Heer die als enige mijn persoon stevig en blij maakt, wordt mogelijkheid om te wandelen naar mijn bestemming. Ik ben huisvrouw, heb drie kinderen; en ik houd veel van het avontuur. Ik heb me nooit bedrukt gevoeld door de onvermijdelijke eenzaamheid die mijn leven met zich meebrengt en door de moeite van een werk dat niet zichtbaar is (zoals luiers verwisselen en eten klaarmaken voor de kinderen), omdat, echt – sinds ik eindelijk krediet heb gegeven aan de waarheid van wat je ons steeds zegt (en don Giussani ons steeds zei) –, nu elke keer dat aan de horizon van mijn dagelijkse bestaan een vermoeden van verstikking of leugen opdoemt, ik nu aan jou denk, aan mijn ik, aan Wie het op dat moment maakt, en ik dan onmiddellijk de unieke en grote relatie ontdek die me vormt: en alles vindt dan zijn eigen plaats terug en ik adem de frisse lucht van mijn vrijheid, de frisse lucht van Zijn aanwezigheid. Ik wil je gewoon bedanken, want in deze jaren begin ik don Giussani werkelijk te kennen en te volgen, en er gaat geen dag voorbij dat ik niet ontdek en vraag dat elke omstandigheid – ik zou durven zeggen ook mijn eigen kwaad, mijn eigen zonde – de grote gelegenheid mag zijn om wéér een zekere en bewuste stap te zetten naar mijn bestemming. Dat is de grote hoop voor mijzelf, voor de mensen van wie ik houd en voor heel de wereld”.
Dan begrijp je waarom de omstandigheden wezenlijk deel zijn van onze roeping: omdat ze ons uitdagen, omdat als ik me af en toe niet in de duisterste duisternis zou bevinden, ik zou kunnen leven zonder het Mysterie op te merken, zonder de behoefte te voelen me werkelijk bewust te zijn van wat ik ben en van het feit dat Hij er is; en zo herboren te worden. “Zelf-bewustzijn is het vermogen over zichzelf te reflecteren tot op de bodem [en dat is dus geen psychologische introspectie]. Maar als iemand totaal bewust over zichzelf reflecteert tot op de bodem, dan ontmoet hij een Ander, want als ik totaal bewust ‘ik’ zeg, dan ontdek ik dat ik mijzelf niet maak” (L. Giussani, 1967). En wanneer besef ik dat ik niet halverwege de weg ben blijven stilstaan, dat ik uitgekomen ben bij deze Ander? Door een redenering? Door een gevoel? Door zelfbegoocheling? Doordat ik herboren word!
Ik vraag me af: hoe vaak is het ons gebeurd – in deze hele periode waarin de omstandigheden ons zo uitgedaagd hebben – dat we gedwongen werden dit parcours te doorlopen tot we herboren werden in de herkenning van het U? Ik zal jullie opbiechten dat ik dat oneindig vaak heb moeten doen, anders, dat verzeker ik jullie, zou ik hier niet meer zijn. Want dan ben je aan de andere kant van de wereld en krijg je per e-mail het laatste krantenartikel dat ons keihard aanvalt, en dan is er geen ruimte om te vluchten: of je laat je bepalen door je reactie en de rest van de dag daartoe reduceren, ofwel je begint wéér een parcours af te leggen en erkent nog een keer dat je niet bent wat de kranten zeggen, maar relatie met Iemand die je maakt. Tegenover elke omstandigheid en elke uitdaging – die er voortdurend zijn – ben ik genoodzaakt om te beslissen of ik blijf klagen of haar ga bekijken als de mogelijkheid waardoor het Mysterie me roept tot een vernieuwing van mijn zelf-bewustzijn.
Het gaat er niet om dat ons de duisternis ontnomen wordt of dat bepaalde aanvallen ons bespaard blijven; “ons werkelijke probleem is minder onrijp worden” (L. Giussani, 1976), dat wil zeggen ‘ik’ beginnen te zeggen als mensen die zich werkelijk bewust zijn van wat ze zijn. Daarom is het de tijd van de persoon. Want onze onrijpheid komt niet voort – zoals we soms denken – uit de anderen of uit de omstandigheden of uit de aanvallen die we het hoofd moeten bieden. Vergis je niet: de anderen hebben de macht niet om ons onvolwassen te maken, maar ze brengen eenvoudigweg aan het licht dat we onvolwassen zijn, ze maken ons ervan bewust hoe inconsistent we zijn, ze laten het ons ontdekken; ze laten ons ontdekken dat we ons dikwijls meer laten bepalen door de omstandigheden dan door ons zelf-bewustzijn. En dan gaat het er niet meer om ons te beklagen over de omstandigheden – hoeveel tijd verliezen we met vruchteloos geklaag! –, maar volwassen te worden.
De Heer wil ons rijp laten worden en een subject voortbrengen dat zo consistent is dat het elke duisternis, elke omstandigheid, elk probleem aankan. Anders zouden we niet in de werkelijkheid zijn, zouden we proberen te vluchten, zoals we om ons heen zien: de dokters gaan de kamers van de zieken niet meer binnen omdat er teveel werkelijkheid is om aan te kunnen. En wij denken dat we alle uitdagingen aankunnen zonder consistentie?
Zo ontstaat een andere blik op de omstandigheden en begrijpen we wat de zin is van het leven als roeping: “De roeping beleven betekent neigen naar de bestemming waarvoor het leven gemaakt is. Die bestemming is Mysterie, ze kan niet beschreven en ingebeeld worden. Ze wordt vastgesteld door hetzelfde Mysterie dat ons het leven geeft. Het leven beleven als roeping betekent neigen naar het Mysterie, door de omstandigheden waardoor de Heer ons laat gaan, door te antwoorden op die omstandigheden. […] Roeping is naar de bestemming wandelen terwijl je alle omstandigheden waar de bestemming ons doorheen laat gaan, omhelst” (L. Giussani) (niet alleen de omstandigheden die wij uitkiezen, alsof wij erover zouden kunnen beslissen – maar alle omstandigheden).
Dat de Heer ons naar onze bestemming laat wandelen door ongunstige omstandigheden is iets mysterieus, zoals de Bijbel ons voortdurend in herinnering brengt: “Uw wegen zijn niet Mijn wegen” (Jes 55, 8). Wanneer we opletten, merken we dat dit, paradoxaal genoeg, zo gunstig is voor het ontstaan van een subject, dat we zonder deze dingen ons zouden verliezen in de meest absolute banaliteit, in de oppervlakkigste verstrooiing, in de verschrikkelijkste reductie. Want alle omstandigheden waardoor het Mysterie ons naar onze bestemming laat wandelen, zijn er om ons menselijke subject wakker te maken, zodat het de kracht krijgt die het toestaat te leven in welke voorbijgaande situatie dan ook. Dat is de verificatie van het geloof, de verificatie van de christelijke gebeurtenis: of het christendom in staat is een consistent subject voort te brengen, dat niet buiten de werkelijkheid staat, niet in zijn kamer blijft, maar midden in de werkelijkheid staat, zoals de werkelijkheid ons uitdaagt. En wat is de sterkte, wat is de kracht van het ik? Waar vinden we die? De kracht van het ik is enkel in het zelf-bewustzijn. Daarom zijn alle omstandigheden waar de Heer ons doorheen laat gaan ervoor om ons “zelf-bewustzijn” te doen rijpen, dat wil zeggen “een duidelijke en liefdevolle waarneming van jezelf, bevrijd van de instinctieve afgestomptheid van de eigenliefde. Als we deze identiteit kwijtraken, baat niets ons nog” (L. Giussani).


2. De elementen van ons zelf-bewustzijn

De paus zelf heeft ons de elementen van ons zelf-bewustzijn in herinnering geroepen in zijn boodschap aan de Meeting van Rimini, afgelopen augustus.

a. Oorspronkelijke afhankelijkheid: ‘gemaakt’
“Spreken van de mens en zijn verlangen naar het oneindige betekent allereerst zijn constitutieve relatie met de Schepper erkennen. De mens is een schepsel van God [allemaal kennen we deze zinnen, we kennen ze allemaal, ik voorop; maar als we ze niet herontdekken terwijl we antwoord proberen te geven op de omstandigheden, dan blijven ze in de la van onze nutteloze kennis, en raken we van de kaart door elke omstandigheid; en daarom vraag ik jullie (zoals ik het voor mezelf vraag) weerstand te bieden tegen de verleiding te denken dat we het al weten. We weten het nog niet! Anders zouden we wel leven met een intensiteit waarvan we in ons dagelijks leven meestal alleen kunnen dromen]. Heden ten dage lijkt dit woord - schepsel - haast uit de mode te zijn: we zien de mens liever als een uit zichzelf compleet wezen en als absolute schepper van zijn eigen lot. De beschouwing van de mens als schepsel lijkt "ongemakkelijk", omdat het een essentiële referentie impliceert naar iets anders, of beter, naar Iemand anders - die niet beheersbaar is door de mens - die op essentiële manier zijn identiteit komt bepalen; een relationele identiteit, waarvan het eerste kenmerk is de oorspronkelijke en ontologische afhankelijkheid van Degene die ons gewild en geschapen heeft”. Dit kan geen enkele omstandigheid, geen enkele macht, geen enkele aanval ons ontnemen, want het maakt meer onze waarheid uit dan onze gedachten, onze gevoelens of onze reacties, of die van de anderen: de anderen bepalen niet wat wij zijn; wij zijn deze oorspronkelijke afhankelijkheid, en wanneer deze oorspronkelijke afhankelijkheid niet zo bewust is, dan zijn we ten prooi aan alles; dat zien we op ons werk, in onze relaties, met onze vrienden, als we de krant lezen, als we alleen zijn. Maar, onderstreept Benedictus XVI, “deze afhankelijkheid, waarvan de moderne en hedendaagse mens zich poogt te bevrijden, verbergt en verkleint de grootsheid en de waardigheid van de mens niet alleen niet, maar openbaart ze in hun volle licht: de mens is in het leven geroepen om een relatie met het Leven zelf aan te gaan, met God”.
“Maar de erfzonde dan?”, vragen we dikwijls.
De paus vervolgt: “De erfzonde heeft zijn uiteindelijke wortel juist daarin, dat onze voorouders zich onttrokken aan deze constitutieve relatie, zich op de plaats van God wilden stellen, geloofden zonder Hem te kunnen. Maar ook na de zonde blijft in de mens een brandend verlangen naar deze dialoog, als het ware een handtekening die de Schepper zelf met vuur in zijn ziel en in zijn vlees geprent heeft. […] ‘God, mijn God zijt Gij, ik zoek u reeds bij het ochtendgloren, naar U dorst mijn ziel en hunkert mijn vlees, als dorre akkers naar regen’ […]. Niet alleen mijn ziel, maar elke vezel van mijn vlees is gemaakt om zijn vrede, zijn verwezenlijking te vinden in God. En deze neiging is onuitwisbaar in het hart van de mens: ook wanneer hij God afwijst of ontkent, verdwijnt in hem de dorst naar het oneindige niet. Dan begint er daarentegen een wanhopige en steriele zoektocht naar "valse oneindigheden" die ten minste voor een moment bevrediging geven”. Zozeer maakt dit Mysterie dat van ons houdt, ons wezen uit, dat ook wijzelf, met al ons kwaad, deze dorst niet kunnen reduceren. Dus schreeuwt deze dorst, schreeuwt hij, schreeuwt hij om Hem, roept hij dat er in mij iets is dat standhoudt, dat blijft na al mijn verstrooiingen, na al mijn kwaad, na al mijn verwarring. Zeg me of die dorst niet blijft, die het teken is van iets onherleidbaars, van een gegeven: we zijn gemaakt voor het oneindige. Dat is onze bestemming.
Dit gegeven is het eerste element van ons zelf-bewustzijn, van een duidelijke en liefdevolle waarneming van onszelf. Dat we oorspronkelijk afhangen, is de waarheid van onszelf: we zijn de vrucht van een liefdeshandeling van God. We zijn! En geen enkele fout, geen verstrooiing, geen enkele omstandigheid, geen enkel lijden kan het feit uitwissen dat ik er ben. En als ik er ben, dan roept het Mysterie dat me maakt, door het feit dat ik er ben, uit: “Je bent een handeling van Mijn liefde. Je wordt nu voor Mij gemaakt, je bent gemaakt naar Mijn beeld en gelijkenis”. En dan verwerft de zin die we allemaal ‘kennen’ en die ons vrij zou laten ademhalen, als we ons er rekenschap van zouden afleggen, heel zijn reikwijdte: “God schiep de mens naar zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem” (Gen 1, 27). Dit, zegt ons don Giussani, is het fundament van de genegenheid voor onszelf (terwijl wij dikwijls om de kruimels komen bedelen die van de tafel van een of andere machtige vallen!): “De genegenheid voor onszelf kan niet gemotiveerd worden door wat we zijn; ze wordt gemotiveerd door het feit dat we zijn, door de verrassing over onszelf als gave van iets anders, als genade, als verrassing over het feit dat we zijn, gemaakt door een ander. Als het eerste wat God doet van je houden is, wat is dan de meest onmiddellijke imitatie van God? God imiteren is de verrassing dat je van jezelf houdt, is jezelf willen” (L. Giussani, 1983). “Als iemand geen liefde heeft, als iemand geen tederheid heeft jegens zichzelf, dan imiteert hij God in niets; als iemand God niet imiteert in het liefhebben, dan kan hij God niet imiteren, want het eerste en meest fundamentele waarmee God zich aan de mens die naar Zijn beeld en gelijkenis gemaakt is, openbaart, de eerste gelijkenis met God is zichzelf beminnen. Want het eerste wat God doet, is jou beminnen” (L. Giussani, 1987).
Eenieder kan de vergelijking maken tussen het bewustzijn dat hij van zichzelf heeft en wat don Giussani zegt: niet om ons te beklagen over hoe inconsistent we nog zijn, maar om te genieten van een belofte, om de mogelijkheid te herontdekken om wat we elkaar zeggen, niet te verliezen.

b. Christelijke gebeurtenis: ‘van Hem’
Ons is nog een feit overkomen, dat het tweede element van ons zelf-bewustzijn uitmaakt en dat antwoord geeft op een vraag die ook wij dikwijls stellen en die de paus aldus geformuleerd heeft: “Is het niet structureel onmogelijk voor de mens op de hoogte van zijn eigen natuur te leven? En is deze hunkering naar het oneindige, die hij voelt, zonder dat hij die ooit volledig kan bevredigen, geen veroordeling? Deze vraag voert ons rechtstreeks naar het hart van het christendom. Want het Oneindige zelf, om antwoord te worden dat de mens kan ervaren [kijk welk werkwoord dat de paus gebruikt!], heeft een eindige vorm aangenomen. Sinds de Incarnatie, vanaf het moment waarop het Woord vlees is geworden, is de onoverbrugbare afstand tussen het eindige en oneindige geannuleerd: de eeuwige en oneindige God heeft zijn Hemel verlaten en is binnengetreden in de tijd, heeft zich ondergedompeld in de menselijke eindigheid”.
Hoe weet eenieder van ons dat het precies zo gebeurd is, dat dit geen woorden in het luchtledige zijn?
Doordat ook wij, net als Johannes en Andreas, gegrepen zijn, tot op het punt dat eenieder kan zeggen: nooit was ik zo mijzelf als toen U mij overkomen bent. Dat is de inhoud van de ervaring van Christus. Het tweede gegeven van de inhoud van mijn zelf-bewustzijn is dus Christus die mij in mijn leven overkomen is, die mij mezelf heeft doen ervaren met een intensiteit, met een grootsheid, met een volheid die ik met al mijn pogingen niet kan reproduceren. De inhoud van mijn zelf-bewustzijn, van het gevoel van mezelf, is dat mijn ik gevormd wordt door U, Christus. U bent mij, U bent mijn ware ik. Daarom kan de inhoud van mijn zelf-bewustzijn samengevat worden met de woorden van sint Paulus: “Ikzelf leef niet meer, Christus is het die leeft in mij” (Gal 2, 20). Eenieder kan kijken en zien in hoeverre dit zelf-bewustzijn van Christus zijn dagen overheerst, of dat het een zin is die op de muur geschreven staat maar die voor ons geen reële ervaringsinhoud heeft.
De paus herinnert ons aan de vreugde en de dankbaarheid die het leven van de eerste christenen overweldigde: “Inderdaad was het in het vroege christendom zo: dit bevrijd-zijn uit de duisternis van het tasten, van het niet weten – wat ben ik, waartoe ben ik, hoe moet ik gaan? Deze bevrijding, dit in-het-licht-staan, dit in-de-wijdte-van-de-waarheid-staan, dat was het grondbewustzijn van de eerste christenen. Dankbaarheid, die vervolgens uitstraalde en zo de mensen in de Kerk van Jezus Christus bijeenbracht” (Benedictus XVI, 2 september 2012). We weten allemaal hoezeer don Giussani beheerst werd door dit bewustzijn, zozeer dat het kardinaal Martini deed zeggen: “Kijk, elke keer dat je spreekt, ga je terug naar deze kern, de Menswording, en stelt die – op duizend verschillende manieren – steeds opnieuw voor”. Wat was het, hem elke keer opnieuw te horen spreken!
Op dit punt gekomen, zegt de paus: “Niets is daarom [na de Menswording] banaal of onbeduidend in de reis van het leven en van de wereld. De mens is gemaakt voor een oneindige God, die vlees is geworden, onze menselijkheid aangenomen heeft om haar aan te trekken tot de hoogten van zijn goddelijke wezen”. Verbazingwekkend hoe de paus vervolgt: “Zo ontdekken we de ware dimensie van het menselijk bestaan, waaraan de Dienaar Gods Luigi Giussani voortdurend herinnerde: het leven als roeping. Elk ding, elke relatie, elke vreugde, evenals elke moeilijkheid, vindt zijn uiteindelijke reden daarin dat het gelegenheid is voor de relatie met het Oneindige, stem van God die ons voortdurend roept en uitnodigt de blik omhoog te richten, in het je hechten aan Hem de volle verwezenlijking van ons mens-zijn te ontdekken”.
Begrijpen jullie? Het leven beleven als roeping betekent naar onze bestemming te wandelen door alle dingen, die niet meer banaal en onbetekenend zijn, maar het vermogen verwerven ons terug te roepen tot zelf-bewustzijn. De omstandigheden worden ons gegeven om dit zelf-bewustzijn opnieuw op te wekken, niet omdat de omstandigheden ons kunnen geven wat we gezegd hebben (het feit dat we er zijn en het feit dat Christus ons overkomt), maar omdat de omstandigheden ons helpen om vleselijk, in de ervaring te ontdekken wat Christus betekent en wat het feit betekent dat ik er ben, want de Heer laat ons naar onze bestemming wandelen door alle omstandigheden die Hij ons laat gebeuren heen. Daarom hoeven we “niet bang [te] zijn voor wat God ons door de omstandigheden van het leven vraagt”.
De Heer roept ons allen op het wezen van onze eigen natuur te erkennen: van mensen die gemaakt zijn voor het oneindige. Dat is wat de Openbaring ons laat zien, dat alles wat ons gegeven is, ons gegeven is voor onze rijpwording, om ons te laten groeien in zelf-bewustzijn. Daarom is dit de tijd van de persoon, de tijd van eenieder van ons, want eenieder van ons is geroepen, door heel precieze omstandigheden, antwoord te geven aan Christus die roept. En antwoord geven op de situatie en op de provocatie is onmogelijk als we ons niet met heel onszelf op het spel zetten. Want alleen de persoon kan in deze situatie niet ten ondergaan, juist vanwege de natuur van het ik. Dat wat in dit alles op het spel staat is de verwoede strijd om het ik niet te reduceren tot alle factoren die eraan voorafgingen.


3. De weg van de zekerheid

Hiervan wordt op spectaculaire wijze getuigenis gegeven door sint Paulus. Ook hem heeft de ontmoeting met Christus voor het leven getekend, zozeer dat alles wat hij van waarde achtte, erdoor omvergeworpen werd: “Want wij die God aanbidden in de Geest, wij zijn de ware besnedenen. Wij zoeken onze roem in Christus Jezus, niet in onszelf. Ik zou me overigens met recht en reden op menselij¬ke voor¬rechten kunnen beroepen. Als anderen menen daarop te kunnen vertrou¬wen, dan ik zeker: ik ben besneden op de achtste dag, van Israëls geslacht, van de stam Benjamin, een geboren en getogen Hebreeër; op het stuk van de tora een farizeeër, wat ijver aangaat een vervolger van de kerk, in wettische heiligheid volmaakt. Maar wat winst voor mij was ben ik om Christus gaan beschouwen als verlies. Sterker nog, ik beschouw alles als verlies, want mijn Heer Christus Jezus kennen gaat alles te boven. Om Hem heb ik alles prijsge¬geven. Om Christus houd ik alles zelfs voor vuilnis, als het erom gaat Hem te winnen en één te zijn met Hem, niet met mijn eigen gerechtigheid op grond van de wet, maar met de gerechtigheid die verkregen wordt door het geloof in Christus, de gerechtigheid die van God komt en steunt op het geloof. Ik wil Christus kennen, ik wil de kracht van zijn opstanding gewaarworden en de gemeenschap met zijn lijden, ik wil steeds meer op Hem lijken in zijn sterven om eens te mogen komen tot de wederopstanding uit de doden” (Fil 3, 3-11).
Maar ook hem, die deze helderheid omtrent Christus bezat, is niets bespaard gebleven, integendeel; we hoeven maar te kijken naar de omstandigheden waaraan hij het hoofd heeft moeten bieden: “Vijfmaal kreeg ik van de Joden de veertig-min-één. Driemaal ben ik met stokken geslagen, éénmaal gestenigd. Driemaal heb ik schipbreuk geleden, eens een heel etmaal doorgebracht in volle zee. Altijd op reis, gevaren van rivieren en gevaren van rovers, gevaren van de kant van mijn eigen volk en van de heidenen, gevaren in steden en in de woestijn, gevaren op zee, gevaren te midden van valse broeders, met zwoegen en tobben, veel slapeloze nachten, honger en dorst, vaak zonder eten, in koude en naaktheid. En afgezien van al het overige: dag in dag uit drukt mij de zorg voor al de gemeenten” (2 Kor 11, 24-28). Indrukwekkend! Maar wat is in het bewustzijn van sint Paulus steeds krachtiger naar boven gekomen, door alles waar de Heer hem doorheen heeft laten gaan? “Maar wij dragen deze schat in aarden potten; duidelijk blijkt dat die overgrote kracht van God komt en niet van ons. Wij worden aan alle kanten bestookt, maar raken toch niet klem; wij zien geen uitweg meer, maar wij zijn nooit ten einde raad; wij worden opgejaagd maar niet in de steek gelaten; wij worden neergeveld maar gaan er niet aan dood. Altijd dragen wij het sterven van Jezus in ons lichaam mee, want ook het leven van Jezus moet in ons lichaam openbaar worden. Voortdurend wordt ons leven aan de dood uitgeleverd om Jezus’ wil, opdat ook het leven van Jezus zich zou openba¬ren in ons sterfelijk bestaan. Zo verricht de dood zijn werk in ons en het leven in u. Maar wij bezitten die geest van geloof waarvan de Schrift zegt: Ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken. Ook wij geloven en daarom spreken wij. Want wij weten, dat Hij die de Heer Jezus van de doden heeft opgewekt, ook ons evenals Jezus ten leven zal wekken, om ons tot zich te voeren, samen met u. Want alles gebeurt voor u: de genade moet zich in velen verme¬nigvuldigen, zodat steeds meer mensen dank brengen aan God, tot eer van zijn naam” (2 Kor 4, 7-15).
Alles wat hem gegeven wordt, is voor hem, is om Jezus meer te leren kennen, meer de kracht van Zijn verrijzenis te leren kennen, de macht van Hem aan wie hij zijn leven toevertrouwd heeft. Zijn mens-zijn stroomt over van dankbaarheid, nog bewuster geworden omdat het Mysterie Paulus niets bespaard heeft. Deze omstandigheden, die deel uitmaken van de Openbaring – de brieven van sint Paulus zijn deel van de Openbaring, het zijn geen anekdotes of decoratieve toevoegingen –, vertellen ons de methode van God: God heeft ons niets bespaard opdat deze oneindige dankbaarheid kan groeien. Dan is het leven beleven als roeping, met dit bewustzijn (dat wij dus deze inhoud in aarden potten dragen), de weg om niet geplet te worden in de afgestomptheid en in de dofheid van ons bewustzijn, zodat de zekerheid omtrent Christus steeds meer de onze kan worden. We zouden onze ‘ideeën’ over Christus nimmer ter discussie stellen, als Hijzelf niet voortdurend onze reductie omverhaalde en ons deed ervaren Wie Hij is.
Het resultaat van deze methode van God beschrijft Paulus zelf: een verworven zekerheid. “Wat moeten wij hieraan nog toevoegen? Indien God vóór ons is, wie zal dan tegen ons zijn? Hij heeft zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard: voor ons allen heeft Hij Hem overgeleverd. En zou Hij ons na zulk een gave ook niet al het andere schenken? Wie zal Gods uitverkorenen aanklagen? God die rechtvaardigt? Wie zal hen veroordelen? Christus Jezus misschien, die gestorven is, meer nog, die is opgewekt en die, gezeten aan Gods rechterhand, onze zaak bepleit? Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking wellicht of nood, of vervolging, of honger, of naaktheid, of levensgevaar, of het zwaard? Er staat immers geschreven: Omwille van U bedreigt ons de dood de gehele dag; wij worden behandeld als slachtvee. Maar over dit alles zegevieren wij glansrijk, dankzij Hem die ons heeft liefgehad. Ik ben ervan overtuigd, dat noch de dood noch het leven, noch engelen noch boze geesten, noch wat is noch wat zijn zal, geen macht in den hoge of in de diepte, noch enig wezen in het heelal ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, die is in Christus Jezus onze Heer” (Rom 8, 31-39).
Als wij geen overwinnaars zijn in heel de situatie van culturele hegemonie waarin we geroepen zijn te leven, wat is dan de redelijkheid van het geloof? Waarom zou het dan redelijk zijn in Christus te geloven? Maar als we hier, precies hier, midden in alles wat we gezegd hebben, midden in alles wat we beleven, in alle uitdagingen wie we het hoofd moeten bieden, zien dat we meer dan overwinnaars zijn in Hem (niet om onze verdienste, maar omdat Christus ons heeft liefgehad), dan geeft dat een unieke consistentie. De overtuiging waarvan sint Paulus spreekt is de zekerheid van het zelf-bewustzijn. Wie zou niet tenminste een grammetje van deze zekerheid voor zichzelf wensen? Dus is het enkel als we de gelijktijdigheid van Christus aan het werk zien, dat we werkelijk overwinnen. Overwinnen betekent niet ‘de macht grijpen’. Overwinnen betekent de overwinning van Christus zien, ook al zijn we van alles beroofd. Overwinnen betekent overstromen van Zijn aanwezigheid.
Daarom moeten we beslissen waar we het antwoord vinden op het verlangen naar geluk dat we in onszelf aantrekken, want we zijn gemaakt voor het oneindige. Alleen zo zullen we kunnen bijdragen aan de missie van de Kerk, die geen “verwoed proselitisme [is], maar getuigenis die de aantrekkelijkheid van Jezus laat doorschijnen, smartelijk verlangen dat allen gered mogen worden” (Angelo kardinaal Scola, 2012), zoals kardinaal Scola ons herinnerd heeft in zijn recente pastorale brief.
In getuigen als sint Paulus kunnen we zien wat Christus voor ons kan worden, zodat, ook in de drukkendste omstandigheden, de inhoud van ons zelf-bewustzijn ons steeds meer met stilte vervult, steeds meer de gedachtenis aan Christus in ons doordringt als het kostbaarste, het wenselijkste dat er is, waaraan we tijd moeten geven, waaraan we ruimte moeten geven, waaraan we ons hart moeten geven. Als we niet steeds meer het verlangen naar deze gedachtenis hebben, als we niet verrast waarnemen hoe we naar deze stilte verlangen om ruimte te geven aan de gedachtenis, dan zijn we al overwonnen, want dan hebben we al concessies gedaan over de inhoud van ons zelf-bewustzijn, en hebben het vervolgens ontdaan van wat ons overkomen is, en het laten vullen met wat de macht wil. In stilte zijn is dit bewustzijn van Christus beleven, is het vermogen Christus te denken en aan te roepen.
Daarom moeten we, om te leren bidden, houden van de stilte, dat wil zeggen van het diepe gevoel van onszelf als personen die op weg zijn naar een einddoel dat het mysterie van Christus is. De stilte moet rijp worden, moet steeds rijper en groter worden. Als we er niet toe komen anders te doen wat we gewoon zijn te doen, als de stilte geen bewustwording van onszelf is om onze persoon te vullen (onze persoon die soms al gevuld is met alle verstrooiingen, met alle zorgen, met alle dingen die we doen moeten), als we geen ruimte maken om opnieuw van onszelf bewust te worden, dan worden we overstelpt door heel andere dingen. Want de stilte is je opnieuw bewust worden van je relatie met de grote aanwezigheid van het mysterie van de Vader.

Zó kunnen we, vervolgens, de werkelijkheid het hoofd bieden met in onze ogen, in ons bewustzijn, Hem. Zoals de blindgeborene. Het is niet zo dat Hij de blindgeborene geneest en hem vervolgens uit de werkelijkheid weghaalt uit angst dat wat Hij hem gegeven heeft, hem weer afgenomen zal worden. Nee. Met in zijn ogen die Aanwezigheid die hem genezen heeft, stuurt Jezus de blinde naar het gevecht, Hij haalt hem er niet uit weg. Dat wil zeggen: Christus schept een ik dat in staat is de werkelijkheid te beleven, zoals de blinde die de eenvoud heeft om te erkennen dat hij eerst niet zag en nu ziet. Zijn bewustzijn was bepaald door wat hem overkomen was. Met dit zelf-bewustzijn kan hij iedereen aan, niet omdat hij machtiger is, maar omdat hij zich eenvoudig hecht aan wat hem overkomen is. Dat is de kracht van het zelf-bewustzijn – nota bene in de laatst aangekomene! –, en alle wijze farizeeërs hebben niets kunnen aanrichten tegen een ik dat dit zelf-bewustzijn had.
Zo kunnen we elke omstandigheid het hoofd bieden, zoals een heel goede vriendin getuigt tegenover de dood, in een dialoog die ze had met haar man (die het me geschreven heeft) toen ze gehoord had wat haar te wachten stond: “Ze zei me: ‘Ik ben gerust, ik ben niet bang, want Jezus is er. Nu ben ik niet eens meer angstig om jou en de kinderen, want ik weet dat jullie in de handen zijn van een Ander’. En ik: ‘Maar ben je niet verdrietig?’ ‘Nee, ik ben niet verdrietig. Ik ben zeker van Jezus; meer nog, ik ben nieuwsgierig naar wat me gaat gebeuren, naar wat de Heer voor me bereid heeft. Misschien zou ik verdrietig moeten zijn, maar ik ben het niet. Ik vind het alleen jammer dat jouw beproeving groter is dan de mijne’. ‘Welnee’. ‘Jawel, het was beter als het omgekeerd was’. En ik, glimlachend omdat ik al ongelooflijk getroost was door het wonder dat is net gezien had, zeg tegen haar: ‘Dat is echt waar, vooral voor de kinderen’. Dit is zonder twijfel een van de mooiste momenten geweest van de zeventien jaar (twaalf jaar huwelijk en vijf jaar verloving) dat we bij elkaar zijn geweest. Misschien wel het mooiste”. Met zo’n consistentie kun je alles onder ogen zien, tot de drempel van de bestemming toe.
We hebben een getuige wie niets bespaard is gebleven: don Giussani: “Mijn kracht en mijn lied is de Heer” (Ex 15, 2): “Wanneer we dat zeggen, laten we het dan niet zeggen met onze ogen vol van de aanwezigheid van de anderen! Maar zeggen we dit woord, herhalen we deze zin met in onze ogen de aanwezigheid van Christus, die de waarheid is van alles wat er hier is, de ultieme waarheid van alles wat er hier is: ‘Alles bestaat in Hem’. […] ‘Mijn kracht’, dus mijn strijdwapen, en ‘mijn lied’, dus mijn zoetheid die in de strijd standhoudt, schoonheid die me in de strijd trekt, die me ondersteunt in de strijd, of die nu een uur of een jaar zou duren. Sterker nog, er is de strijd die je hele leven duurt. Dat ik in mijn leven Jezus voor ogen houd! Dat belooft onze vriendschap ons: een hulp om deze gedachtenis te doen groeien, te bevorderen, erin te wandelen, grote God! Het is een belofte in elke strijd – tijdens de strijd, gedurende heel de tijd van ons leven die strijd en moeite is – om steeds meer binnen te gaan in het U; want we zeggen ‘u’ tegen een aanwezigheid: ‘Mijn kracht en mijn lied bent U’. Welnu, dat dit U samenvalt met Zijn gelaat, met zijn naam. Zijn naam: een aanwezigheid in heel haar kracht en suggestiviteit, macht en zoetheid” (L. Giussani, 1999).
Op deze manier – met dit in onze ogen – kunnen we, in het grote gezelschap van heel de Kerk, het Jaar van het Geloof beginnen dat paus Benedictus eergisteren geopend heeft, om “deze kostbare gave te herontdekken en opnieuw te aanvaarden die het geloof is, om op diepere wijze de waarheden te leren kennen die het sap van ons leven zijn, om de dikwijls verstrooide mens van nu te voeren tot een hernieuwde ontmoeting met Jezus Christus, weg, leven en waarheid” (Benedictus XVI, 24 mei 2012).

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen