zondag 10 april 2011

Kerkelijke deemoed die zijn doel voorbijschiet; sexueel misbruik van minderjarigen is géén typisch RK probleem

Een lezer van onze weblog stuurt ons het volgende artikel:
Kindermisbruik in de Kerk

Feiten en fictie


Bij kindermisbruik denkt iedereen meteen aan de katholieke Kerk. Het is waar, dit grote kwaad heeft helaas ook in de Kerk bestaan. Maar de voortdurende identificatie van Kerk en misbruik is volkomen misplaatst. De cijfers en feiten spreken een ander verhaal. Wat is er gebeurd?

In de verzuilde samenleving na de oorlog kwam naar schatting 10% van de jongens uit katholieke gezinnen voor kortere of langere tijd in een door religieuzen geleid internaat: kleinseminarie, juvenaat, blinden- of doveninstituut, kolonie, pensionaat, kostschool, een dikke vierhonderd in totaal. Voor meisjes zullen de aantallen niet veel kleiner zijn geweest. Dat komt neer op rond de 10.000 kinderen die per jaar naar een internaat gingen; voor de periode waarop het misbruik vooral betrekking heeft, de jaren vijftig en zestig, zijn dat ongeveer 200.000 kinderen.
In diezelfde periode waren er in Nederland ongeveer zestigduizend priesters, broeders en zusters actief, die in totaal meer dan twee miljoen kinderen onder hun hoede hadden, op scholen, internaten, in jeugdverenigingen en ander kinderwerk.

De commissie-Deetman geeft aan over de afgelopen zestig jaar zo’n 2000 meldingen te hebben ontvangen, waarvan ongeveer 400 klachten. Naar wij begrijpen hebben deze voornamelijk betrekking op de periode van de internaten (ruwweg van 1945 tot 1970). Dat betekent (een ruwe schatting van het aantal meldingen minus verdubbelingen en onjuiste, wellicht ook gefingeerde meldingen): duizend gevallen van misbruik bij 200.000 kinderen, ofwel een half procent. Maar als het gaat over het totaal van kinderen dat dagelijks onder toezicht van religieuzen stond, dan betekent het iets als een half promille. Veel te veel, maar vergeleken met de cijfers buiten de katholieke gemeenschap juist heel weinig. De cijfers rechtvaardigen volstrekt niet een onderzoek, speciaal gericht op de katholieke Kerk in haar instituties. Het is goed dat de commissie klachten inventariseert en advies geeft, hoe slachtoffers te helpen, maar als ze werkelijk onafhankelijk en objectief is, dient ze het daarbij te laten en zichzelf nu op te heffen.

Vergelijken is gevaarlijk, maar soms ook verhelderend:
In juli 2009 verscheen van de Rutgers Nisso Groep het rapport ‘Seksuele gezondheid in Nederland 2009', geschreven naar aanleiding van een onderzoek onder ruim 6400 mannen en vrouwen in de leeftijd tussen 15 en 70 jaar. Enkele opmerkelijke cijfers uit dit rapport:
* 1/3 van de vrouwen (33%) en een op de 20 mannen (5%) geven aan ooit seksueel geweld te hebben meegemaakt, variërend van kwetsende aanrakingen tot verkrachting;
* een op de 5 vrouwen (20%) en een op de 25 mannen (4%) hebben voor hun 16e seksueel geweld meegemaakt;
* het merendeel van de plegers is een bekende van het slachtoffer;
* ongeveer 1 op de 6 vrouwelijke en 1 op de 16 mannelijke slachtoffers heeft wel eens aangifte bij de politie gedaan.

Daar staat tegenover dat er over de laatste twintig jaar ‘slechts’ tien keer een melding van misbruik van minderjarigen in de Kerk is gedaan; in die periode zijn er ongeveer 4000 priesters actief geweest. Het is dus niet moeilijk te zien dat het misbruik niets met de Kerk als instituut of met het celibaat te maken heeft, zoals regelmatig wordt gesuggereerd, maar alles met menselijke zwakheid en met het systeem van internaten, katholieke en niet-katholieke. En waarschijnlijk met een slechte selectie van kandidaat-religieuzen, zoals blijkt uit de netwerkachtige pedoschandalen in enkele internaten zoals ’s-Heerenberg en Eindhoven-Aalsterweg. Maar dit gold niet voor honderden andere internaten.

Een laatste opmerking: een Brandpuntonderzoek naar de situatie in het onderwijs, eerder dit voorjaar, wees uit dat 26 procent van de leraren weet heeft van een concreet geval van seksueel contact van leraren met minderjarige leerlingen: een ultieme machts- en afhankelijkheidsrelatie. Slechts acht procent doet aangifte. In de uitzending van het betreffende actualiteitenprogramma werd van verschillende kanten geconstateerd, dat er zelden actie wordt ondernomen, anders dan overplaatsing. Brandpunt concludeerde: “een echte doofpotcultuur”. De voorzitter van de onderzoekscommissie moet als voormalig minister van Onderwijs weet hebben van deze doofpotcultuur en van de frequente gevallen van misbruik in en rond het schoolgebouw. Wellicht kan dit als referentiekader in het onderzoek worden meegenomen.
In de zorg, in de kinderopvang, bij jeugd- en sportverenigingen: overal komt anno 2011 misbruik van kinderen voor, in onthutsende frequentie. De samenleving in Nederland blijft vooral focussen op de Kerk van de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw, en de Kerk verzuimt het, om zoals in Duitsland en in België, episcopaal, actief en assertief in de media aanwezig te zijn.

Natuurlijk, het nemen van verantwoordelijkheid voor grotendeels reeds lang verjaarde kwesties en het plaatsvervangende erkennen van schuld siert de Kerk. Maar deze deemoed van de bisschoppen is zijn doel voorbijgeschoten. Hij maakt nieuwe slachtoffers. Alle priesters en gelovigen zijn vogelvrij geworden.
De media geneerden zich niet, tot tweemaal toe te publiceren over vermeend seksueel misbruik door een latere bisschop; in beide gevallen was er sprake van een canard, die echter nimmer werd toegegeven, laat staan gerectificeerd. In beide gevallen ook haastte het betreffende bisdom zich – zonder het op te nemen voor de beschuldigde – om te vragen om een ernstig onderzoek.

Ook het instellen van de zgn. commissie Deetman wekt de schijn dat kindermisbruik een bijzonder kenmerk van de katholieke Kerk is. Terwijl de feiten dat tegenspreken. Je kunt constateren dat in een recent verleden de samenleving onvoldoende alert was op het verschijnsel van kindermisbruik, maar dat gold binnen alle geledingen, binnen alle religieuze, politieke en andere levensbeschouwelijke systemen. Nu wordt deze benadering doorgaans verworpen met het argument, dat “in de Kerk zoiets niet mag gebeuren”; dat is wel waar, maar riekt tegelijkertijd naar pelagianisme.

Kindermisbruik is een zaak voor de rechter en het zou –zoals dat ook in België gebeurt – veel beter zijn om het onderzoek naar misbruik bij justitie te leggen. Tenslotte is het ook justitie die in het verleden veel geseponeerd of domweg genegeerd heeft.

Dan wordt ook alles in een juister perspectief geplaatst. Nu moeten we voortdurend erg schrikken van weer een zaak (of een canard). Bovendien: de commissie Deetman wordt door niemand als objectief beschouwd: niet door de slachtoffers, niet door media, maar zeker niet door de kerkelijke achterban.

Zeker, de feiten moeten op tafel, de discussie gevoerd, maar dan in de hele breedte van de samenleving. Dat gaat veel beter zonder commissies.

Johan Heijtenis

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen