zaterdag 6 augustus 2011

120 jaar Rerum novarum (6): Deel 2. Hoofdstuk 1. De taak van de Kerk

DEEL 2: DE JUISTE OPLOSSING VAN HET VRAAGSTUK. DE KERK, MAAR OOK DE STAAT EN DE BELANGHEBBENDEN MOETEN MEEWERKEN

HOOFDSTUK 1: DE TAAK VAN DE KERK


ARTIKEL 1 - Haar bevoegdheid; haar medewerking onmisbaar

13. Vol vertrouwen en geheel in overeenstemming met ons recht nemen wij dit onderwerp in behandeling, omdat het hier gaat over een zaak, waardoor geen, althans geen aannemelijke oplossing zal gevonden worden, tenzij met behulp van de godsdienst en de Kerk. Daar het nu vooral onze taak is, over de godsdienst te waken en te beschikken over datgene, wat de Kerk in haar macht heeft, zouden wij door zwijgen schuldig schijnen aan plichtverzuim. Voorzeker, deze zo gewichtige aangelegenheid vraagt ook de medewerking en inspanning van anderen: wij bedoelen, van de regeringen, van de patroons en de bezittende klasse, ten slotte van hen, om wie het gaat, de proletariërs zelf. Maar dit verklaren wij zonder aarzelen, dat alle pogingen der mensen zonder vrucht zullen blijven, als de Kerk wordt uitgeschakeld. Immers de Kerk put uit het Evangelie de leerstellingen, die de kracht bezitten, om òf de strijd geheel bij te leggen òf minstens in scherpte en heftigheid te doen verliezen. Zij ook beijvert zich, om ieders levenspraktijk door haar voorschriften te vormen. Zij brengt verbetering in de toestand der proletariërs door talrijk nuttige instellingen. Zij wil en verlangt, dat alle standen in onderling overleg hun krachten gelijkelijk hierop richten, dat de belangen van de arbeiders zo doelmatig mogelijk verzorgd worden en zij meent, dat hierbij, natuurlijk binnen redelijke grenzen, de hulp van wetten en van het staatsgezag onontbeerlijk is.

ARTIKEL 2 - Haar leer

PARAGRAAF 1 - Omtrent de op natuurlijke gegevens berustende ordening van het menselijk leven, omtrent de noodzakelijkheid van de arbeid en omtrent het blijvend bestaan van lijden in deze wereld

14. Vooraf zij vastgesteld, dat men niet moet ingaan tegen de voor de mensheid vastgestelde ordening: dat in de maatschappij het lagere niet aan het hogere gelijk kan worden. Hiernaar streven wel de socialisten: maar elk streven ingaande tegen de natuur blijft vruchtloos. De mensen immers verschillen onderling in zeer vele en voorname punten: niet allen bezitten hetzelfde verstand, dezelfde bekwaamheid, dezelfde gezondheid, dezelfde krachten. Het gevolg van dit noodzakelijk verschil is vanzelf een ongelijk fortuin; hetgeen alleszins zowel aan de individuen als aan de gemeenschap ten goede komt. Immers in het gemeenschappelijke leven is verscheidenheid van prestatie-vermogen en functies noodzakelijk, om iets tot stand te brengen; en juist door het verschil van fortuin worden de mensen aangedreven, om die functies te verrichten.
En wat lichaamsarbeid betreft, zelfs in de staat van onschuld zou de mens daarvan niet geheel bevrijd zijn gebleven. Maar terwijl hij dan de arbeid vrijwillig zou gekozen hebben tot ontspanning van zijn geest, moest hij daarna in harde noodzaak, niet zonder weerzin, deze op zich nemen tot uitboeting van onschuld. “De aarde zij gevloekt in uw werk: in veel arbeid zult gij er van eten alle dagen van uw leven.” (Gen. 3, 17)
Evenmin zal er een einde komen aan het overige lijden op aarde, omdat de treurige gevolgen van de zonde pijnlijk, hard en lastig zijn om te dragen; en noodzakelijk vergezellen zij de mens, zolang hij leeft. Lijden en nog eens lijden is derhalve ’s mensen lot, en al beproeven en proberen de mensen ook alles, geen krachtinspanning, geen middel zal in staat zijn, die wederwaardigheden geheel uit het leven te bannen. En als sommigen mochten verklaren het te kunnen, als zij aan het arme volk een leven mochten voorspiegelen vrij van smart en kommer, maar vol ongestoord en altijddurend genot, voorwaar, dan misleiden zij het volk en plegen bedrog, dat eens uit zal lopen op een ellende, groter dan de tegenwoordige. Het beste is het leven te nemen, zoals het is en tegelijkertijd, zoals wij reeds zeiden, elders een doelmatig geneesmiddel voor de rampen te zoeken.
(Paus Leo XIII, encycliek Rerum novarum. Over kapitaal en arbeid, 15 mei 1891, Deel 2, hoofdstuk 1, artikel 1 en artikel 2, paragraaf 1)

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen